Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-3058 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Stortingen op bankrekeningen. De ouders van appellante hebben beiden ieder voor zich diverse betalingen aan appellante gedaan. Het bestuur heeft deze bedragen terecht op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB gerekend tot de middelen van appellante waarmee bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Geen sprake van toename van schuldenlast. Niet aannemelijk geworden dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende reden op grond waarvan terugvordering achterwege had dienen te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3058 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

12 april 2011, AWB 10/1109 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het Drechtstedenbestuur (het bestuur)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ende en door L.M. van Kralingen en [naam ouders] (de ouders) als mede-gemachtigden. Het bestuur heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het bestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het bestuur tevens verstaan deze Bestuurscommissie.

2.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Appellante ontving over de periode van 8 juli 2008 tot 25 november 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de WWB.

2.3. Naar aanleiding van een fraudemelding inhoudende dat op de bankrekening van appellante zowel eigen stortingen plaatsvonden als stortingen door derden, heeft het bestuur onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 december 2009. De conclusie van het onderzoek is dat appellante in de periode van 8 juli 2008 tot en met 25 november 2009 op haar bankrekeningen bij de ING-bank en de ABN/Amro-bank bedragen heeft ontvangen die van invloed zijn op het recht op bijstand. De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 16 februari 2010 de bijstand van appellante over de periode van 1 augustus 2008 tot en met 1 november 2009 te herzien en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 15.625,04 bruto van appellante terug te vorderen. Het bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante gedurende bedoelde periode heeft verzuimd melding te maken van de door haar ontvangen bedragen, zodat aan appellante over bedoelde periode tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

2.4. Bij besluit van 6 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren tegen het besluit van 16 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft hierbij, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. De van de ouders ontvangen geldbedragen zijn ten onrechte niet als geldlening aangemerkt maar als inkomen. Er was wel degelijk sprake van een schuld met een daadwerkelijke toekomstige terugbetalingsverplichting. Appellante betwist voorts dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het bestuur had op grond van redelijkheid en billijkheid van herziening van de bijstand moeten afzien. Haar ouders zouden geld hebben geleend om haar in staat te stellen schulden af te lossen en de sociale dienst was op de hoogte van het feit dat zij haar schulden aan het aflossen was. Ten slotte beroept appellante zich op dringende redenen op grond waarvan het bestuur van terugvordering had moeten afzien.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De herziening

5.1.1. Ingevolge artikel 11 van de WWB heeft recht op bijstand, kort weergegeven, degene die niet beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

5.1.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

5.1.3. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien (a) het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en (b) er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

5.1.4. Artikel 31, eerste lid, van de WWB bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend.

5.1.5. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking te nemen middelen voor zover deze (a) inkomsten betreffen uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

5.2.1. Vaststaat dat de ouders van appellante beiden ieder voor zich gedurende de periode in geding diverse betalingen aan appellante hebben gedaan zoals vermeld in de aangevallen uitspraak.

5.2.2. Het bestuur heeft deze bedragen terecht op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB gerekend tot de middelen van appellante waarmee bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

5.2.3. Appellante kon immers over de van haar ouders ontvangen bedragen beschikken en deze redelijkerwijs aanwenden voor de kosten van haar levensonderhoud. De stelling dat de bedragen kennelijk mede waren bedoeld en deels zouden zijn gebruikt om schulden af te lossen doet daaraan niet af. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 22 januari 2013,

LJN BY9138 en van 2 oktober 2012, LJN BX8857.

5.2.4. Wat appellante heeft gesteld over de toename van haar schuldenlast leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 september 2008, LJN BF5131) kunnen schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en tevens komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Zowel appellante als haar ouders hebben verklaard dat appellante het geld, althans een deel daarvan, zou dienen terug te betalen zodra zij daartoe financieel in staat zou zijn. Die afspraak duidt op een geldlening, maar brengt niet mee dat daaraan een concrete en daadwerkelijke terugbetalingsverplichting was verbonden, nu die verplichting afhankelijk was gesteld van een onzekere toekomstige gebeurtenis. De omstandigheid dat de ouders naderhand met appellante alsnog concrete afspraken over de terugbetaling hebben gemaakt en appellante inmiddels daadwerkelijk een deel van de ontvangen bedragen heeft terugbetaald maakt dit niet anders.

6. Appellante was gelet op wat hiervoor onder 5.2.2 is overwogen dan ook verplicht om de ontvangst van de bedragen te melden bij het bestuur. Dit had haar redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn. De door appellante gestelde omstandigheid dat zij de mededeling met betrekking tot de inlichtingenverplichting, opgenomen in het besluit tot toekenning van bijstand, niet tot zich heeft laten doordringen en tevens heeft nagelaten om het bijgeleverde boekje met aanwijzingen te lezen, komt voor haar rekening.

7. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het bestuur heeft ingelicht over de ontvangen bijdragen van haar ouders. Weliswaar heeft zij, naar niet is betwist, bij de aanvraag om bijstand opgemerkt dat zij in de voorafgaande periode was onderhouden door haar ouders en dat zij bezig was om met hun hulp schulden af te lossen, maar zij heeft niet aantoonbaar melding gemaakt van de nadien door haar ontvangen bedragen.

8. Het bestuur heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor aan haar in de periode in geding tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Het bestuur was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de aan appellante gedurende die periode verleende bijstand te herzien.

9. Anders dan appellante meent vormt het feit dat haar ouders geen geld beschikbaar zouden hebben gesteld als zij zouden hebben geweten dat dit op de bijstand in mindering diende te komen geen grond voor het oordeel dat het bestuur in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van de bevoegdheid om de bijstand te herzien. Hetzelfde geldt voor het feit dat de ontvangen gelden waren bedoeld voor en zijn aangewend tot aflossing van schulden.

De terugvordering

10. Met het voorgaande is tevens gegeven dat het bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de kosten van de bijstand, voor zover tot een te hoog bedrag verleend. Tegen de hoogte van het teruggevorderde bedrag heeft appellante geen gronden aangevoerd.

11. Niet is gebleken dat het bestuur redelijkerwijs van terugvordering had behoren af te zien. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat haar schuldeisers door het bestreden besluit langer op terugbetaling moeten wachten vormt geen dringende reden op grond waarvan terugvordering achterwege had dienen te blijven.

12. Gelet op 5.2.1 tot en met 11 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

HD