Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-6300 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een werkleeraanbod op grond van de WIJ. Weigering inkomensvoorziening. toe te kennen op de grond dat onduidelijk is waar appellant feitelijk verblijf houdt. De omstandigheid dat appellant door het verstrekken van inlichtingen zichzelf in (strafrechtelijke) problemen zou kunnen brengen, neemt niet weg dat op hem, als aanvrager, de verplichting rust om aan het college alle inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het recht op een inkomensvoorziening te kunnen vaststellen, en dat bij niet nakoming van die verplichting kan worden geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010, LJN BN6261.Het college heeft terecht geweigerd aan appellant een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. De WIJ bevat geen hardheidsclausule als door appellant bedoeld, zodat zijn beroep daarop faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6300 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2011, 11/2516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Voor appellant is mr. Roethof verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 10 augustus 2010 een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Appellant heeft daarbij vermeld dat hij dakloos is. Bij besluit van 31 augustus 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Daarbij is tevens geweigerd om appellant een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat hij geen juiste opgave heeft gedaan van zijn woon- of verblijfplaats.

1.2. Op 4 oktober 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de WIJ. Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen en tevens geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen op de grond dat onduidelijk is waar appellant feitelijk verblijf houdt.

1.3. Bij besluit van 6 april 2011, voor zover van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 13 oktober 2010 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingediend en er geen grond is die de termijnoverschrijding rechtvaardigt.

1.4. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het college de bezwaren van appellant alsnog inhoudelijk behandeld. Daartoe heeft het college op 9 augustus 2011 alsnog een hoorzitting gehouden. In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende: “U heeft wel eens een aanbod van een uitzendbureau gehad, maar dat aanbod verkocht u dan aan een bekende. Op de vraag van ondergetekende hoe u sinds augustus 2010 (en de periode daarvoor) in uw levensonderhoud heeft voorzien, geeft u aan dat u steelt en dat dit u goed lukt. U loopt bijvoorbeeld met volle mandjes uit de supermarkt zonder te betalen. U past bijvoorbeeld ook kleding in pashokjes, waarna u uw oude kleding laat hangen en met de nieuwe naar buiten loopt zonder te betalen.” Het college heeft appellant bij brief van 11 augustus 2011 verzocht om, kort gezegd, nadere informatie te verstrekken over de tijdens de hoorzitting door appellant gestelde wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. In reactie hierop, heeft de gemachtigde van appellant het college bij brief van 17 augustus 2011, voor zover van belang, meegedeeld dat, nu appellant eerder voorschotten van de DWI heeft ontvangen, hij onlangs slechts een enkele keer iets heeft gestolen.

1.5. Bij besluit van 18 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college zijn besluit van 6 april 2011 herzien en, voor zover van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 13 oktober 2010 alsnog ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat en voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat het recht op een inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover bij dat besluit de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 13 oktober 2010 niet-ontvankelijk zijn verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, voor zover het geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij zijn beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Hij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Het verslag van de hoorzitting is geen juiste weergave van wat op de hoorzitting is besproken. Appellant heeft slechts kenbaar willen maken dat hij eenmalig had gestolen, omdat hij honger had, maar heeft daarvan geen gewoonte gemaakt. Hij heeft nooit verklaard door diefstal stelselmatig in het eigen levensonderhoud te voorzien. Het betroffen slechts hypothetische stellingen, waarmee hij heeft willen aangeven wat hij zou doen indien de omstandigheden dat zouden vereisen. Appellant heeft slechts een enkele keer brood gestolen om te kunnen voorzien in zijn primaire levensbehoefte. Hiervan heeft hij geen administratie aangelegd. Bovendien vertegenwoordigt een gestolen brood geen vermogen of inkomsten waarvan duurzaam geleefd kan worden. De omstandigheid dat appellant op incidentele basis heeft gestolen, is niet van belang voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening. Uit een incidentele diefstal kan niet worden geconcludeerd dat appellant feitelijk kon beschikken over of aanspraak kon maken op enig inkomen. Daarnaast was appellant, gelet op zijn zwijgrecht, niet gehouden inlichtingen te verstrekken die hem zouden kunnen blootstellen aan een strafrechtelijke vervolging. Het besluit om geen inkomensvoorziening toe te kennen getuigt van bijzondere hardheid. Gelet op de omstandigheid dat appellant heeft moeten stelen om aan voedsel te komen, had, indien en voor zover niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de WIJ, het college toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling en verwijst daarbij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Het gaat in dit geding om de weigering van de inkomensvoorziening, waarbij de te beoordelen periode voor de eerste aanvraag om een werkleeraanbod loopt vanaf de datum van die aanvraag op 10 augustus 2010 tot en met de datum van het eerste primaire besluit, 31 augustus 2010. Voor de tweede aanvraag om een werkleeraanbod loopt de te beoordelen periode van 4 oktober 2010 tot en met de datum van het tweede primaire besluit, 13 oktober 2010. Het werkleeraanbod is niet in geding.

4.2. Voorop moet worden gesteld dat een besluit over een inkomensvoorziening genomen naar aanleiding van een aanvraag om een werkleeraanbod, een voor de aanvrager begunstigend besluit is. Het ligt in het algemeen dan ook op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het toekennen van die inkomensvoorziening is voldaan. In dat kader dient de belanghebbende de voor de beoordeling van het recht op een inkomensvoorziening benodigde financiële gegevens te verschaffen. Het college moet immers ingevolge artikel 24, eerste lid, van de WIJ onder meer vaststellen of het in aanmerking te nemen inkomen van de jongere ten tijde van de aanvraag om een werkleeraanbod lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.

4.3. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de in 1.4 geciteerde passage uit het verslag van de hoorzitting van 9 augustus 2011 geen juiste weergave vormt van wat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard. De in het verslag opgenomen verklaring van appellant over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, is duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Het is niet aannemelijk te achten dat de DWI-medewerker die het verslag heeft opgesteld appellant verkeerd heeft begrepen. Bovendien komt de verklaring van appellant over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien overeen met wat staat in een rapportage van 4 oktober 2010, opgemaakt in het kader van de aanvraag om een werkleeraanbod van die datum. In die rapportage staat: “Cl leefde de laatste tijd van stelen en zo.”

4.4. De stelling van appellant dat hij slechts incidenteel een brood stal om in leven te blijven, spoort niet met wat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Voorts heeft appellant wisselend verklaard over de wijze waarop hij naast de - gestelde - incidentele diefstal verder in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De gemachtigde van appellant heeft namelijk in haar brief van 17 augustus 2011 tot uitdrukking gebracht dat appellant leefde van eerder verleende voorschotten, terwijl zij ter zitting van de Raad te kennen heeft gegeven dat appellant “leefde van vuilnisbakken”. Gelet hierop moet de conclusie zijn dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij in de in 4.1 genoemde periodes in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarmee heeft hij de ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WIJ op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op een inkomensvoorziening in de hier te beoordelen periodes niet worden vastgesteld.

4.5. De omstandigheid dat appellant door het verstrekken van inlichtingen zichzelf in (strafrechtelijke) problemen zou kunnen brengen, neemt niet weg dat op hem, als aanvrager, de verplichting rust om aan het college alle inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om het recht op een inkomensvoorziening te kunnen vaststellen, en dat bij niet nakoming van die verplichting kan worden geweigerd een inkomensvoorziening toe te kennen. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 24 augustus 2010, LJN BN6261.

4.6. Gelet op 4.1 tot en met 4.5 heeft het college terecht geweigerd aan appellant een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toe te kennen. De WIJ bevat geen hardheidsclausule als door appellant bedoeld, zodat zijn beroep daarop faalt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M. Sahin

HD