Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
12-5171 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Appellant heeft na het ontstaan van de schuld beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg staat.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5171 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

8 augustus 2012, 12/43 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 18 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Seddigh Afshar, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken met nummers 11/6938 WWB en 12/5173 WWB. Namens appellant is mr. Seddigh Afshar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft over de periode van 21 maart 2006 tot 1 september 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 12 januari 2011 ontvangt appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft.

1.3. Op 23 juni 2011 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een huurachterstand en bijkomende kosten ingediend.

1.4. Bij besluit van 8 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. De besluitvorming berust op de overweging dat voor de kosten waarvoor appellant bijstand heeft gevraagd geen noodzaak bestaat, dat bijstand voor schulden in beginsel niet mogelijk is en dat geen dringende redenen aanwezig zijn die nopen tot bijstandsverlening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op de beroepsgrond dat hem niet te verwijten is dat hij, in het kader van het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 september 2010, niet tijdig de benodigde informatie heeft verstrekt. Verder heeft hij gesteld dat hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De aan appellant met ingang van 12 januari 2011 toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft is te laag om zijn huurlasten en de huurschuld van te betalen. Tot slot heeft hij aangevoerd dat van hem, gelet op zijn psychische problematiek, niet gevergd kan worden dat hij zelf de opzegging van de huur van zijn woning zou regelen. Appellant kan niet tegengeworpen worden dat zijn begeleider(s) hierin geen actie hebben ondernomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij besluit van 17 december 2012 is aan appellant alsnog bijzondere bijstand verleend voor de kosten van de huur over de periode van 12 januari 2011 tot 1 juli 2011. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat het geschil zich thans beperkt tot de ontstane huurschuld over de periode van 1 september 2010 tot 12 januari 2011.

4.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat appellant ten tijde van het ontstaan van de huurschuld, te weten de periode van 1 september 2010 tot 12 januari 2011, niet beschikte over enig inkomen of vermogen. Vanaf 12 januari 2011 ontvangt appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft. Daarnaast heeft appellant over de periode van 12 januari 2011 tot 1 juli 2011 bijzondere bijstand voor de kosten van de huur ontvangen. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant na het ontstaan van de schuld heeft beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg staat.

4.4. De beroepsgrond dat appellant ook na 12 januari 2011 niet heeft beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in 4.3 omdat de hem per die datum toegekende bijstand naar de norm voor een alleenstaande die in een inrichting verblijft, ontoereikend is om de huurschuld te voldoen, slaagt niet. Het enkele feit dat appellant bijstand ontvangt naar deze norm brengt niet mee dat hij daarmee niet zou kunnen aflossen op de huurschuld. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 januari 2013, LJN BY9282. Dat daartoe ruimte bestaat kan ook worden afgeleid uit het feit dat ook bij de norm voor verblijf in een inrichting na beslag op grond van artikel 475d, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een beslagvrije voet overblijft. De omstandigheid dat appellant aldus niet in staat is ineens of op korte termijn zijn schuld finaal te voldoen, leidt niet tot een ander oordeel. Zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2007, LJN AZ8121. Overigens is vanaf 12 januari 2011, zoals vermeld in 4.1, in de doorlopende huurlasten voorzien door middel van bijzondere bijstandsverlening.

4.5. De rechtbank heeft de beroepsgrond van appellant die ziet op de intrekking van bijstand per 1 september 2010 terecht buiten beschouwing gelaten, omdat het hier aan de orde zijnde geding niet ziet op de intrekking van bijstand per 1 september 2010. De daarop gerichte beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.6. Voorts is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen is evenmin sprake.

4.7. De beroepsgrond dat van appellant, gelet op zijn psychische problematiek, niet kon worden gevergd dat hij zelf de huur van zijn woning zou opzeggen en hem evenmin kon worden tegengeworpen dat zijn begeleider(s) hierin geen actie hebben ondernomen, behoeft geen bespreking meer nu aan appellant alsnog bijzondere bijstand is verleend voor de kosten van de huur over de periode van 12 januari 2011 tot 1 juli 2011.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M. Sahin

HD