Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-4064 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingen- en medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4064 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (rechtbank) van 30 mei 2011, 10/806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stein (college)

Datum uitspraak: 18 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 februari 2013 heeft de Raad een bericht van appellant ontvangen dat hij niet langer over een gemachtigde beschikt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Hoewel daartoe opgeroepen is appellant, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich, daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door H. Kemp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving vanaf 21 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een aantal meldingen van vermoedelijke fraude heeft de sociale recherche van de gemeente Stein (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant op het door hem opgegeven woonadres [adres] te [plaatsnaam]. In het kader hiervan heeft op 15 januari 2010 een huisbezoek op dit adres plaatsgevonden. Appellant was niet aanwezig. De ambtenaren hebben zich gelegitimeerd en het doel van het huisbezoek meegedeeld. Na verkregen toestemming hiervoor van de hoofdbewoonster, de moeder van appellant, [naam moeder], heeft een onderzoek in de woning plaatsgevonden en heeft [naam moeder] een verklaring afgelegd. Zij heeft onder meer verklaard dat haar zoon al zeker drie maanden niet meer in haar woning woont, dat zij hem het laatst met Kerstmis 2009 heeft gezien en dat een dochter van haar de voor appellant bestemde post ophaalt. Deze verklaring heeft

[naam moeder] na voorlezing ondertekend.

1.3. Op 12 februari 2010 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden op het gemeentehuis te Stein met een sociaal rechercheur van de gemeente Stein en een sociaal rechercheur van de gemeente Leudal. Appellant is te kennen gegeven dat twijfels bestaan over zijn woon- en verblijfplaats. Appellant heeft de hierover gestelde vragen niet willen beantwoorden en geweigerd medewerking te verlenen aan verder onderzoek naar zijn woonsituatie. Het college heeft mede hierin aanleiding gezien bij besluit van 1 maart 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 in te trekken.

1.4. De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 22 maart 2010 onder meer het besluit van 1 maart 2010 geschorst tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar.

1.5. Bij besluit van 25 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, onder wijziging van de datum van intrekking in 12 februari 2010, het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 30 juni 2010 het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op voorhand niet gebleken dat de in het besluit van 25 mei 2010 neergelegde intrekking in beroep geen stand zal kunnen houden, zodat geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Ook omdat het college naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2010 gehouden was tot doorbetaling van de bijstand tot zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar, behoeft volgens de voorzieningenrechter de vraag of het college bij het bestreden besluit de (latere) intrekkingsdatum van 12 februari 2010 heeft kunnen hanteren, in de voorlopige voorzieningenprocedure geen nadere bespreking.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - onder verwijzing naar en overneming van de motivering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2010 - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De in 2 genoemde overweging van de voorzieningenrechter ten aanzien van de intrekkingsdatum bevat geen inhoudelijk oordeel over de juistheid van de intrekking van de bijstand per die datum. Voor zover het beroep van appellant zich tegen deze overweging richt, slaagt dit niet, omdat deze overweging niet geacht kan worden onderdeel uit te maken van de bij de aangevallen uitspraak ingelaste overwegingen van de voorzieningenrechter.

4.2. Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

4.3. Het college heeft de onder 1.2 genoemde verklaring van [naam moeder], die zij in haar woning heeft afgelegd, niet in strijd met het huisrecht van appellant, en dus niet onrechtmatig verkregen. Zie de uitspraak van de Raad van 3 december 2012, LJN BY4503. Het college heeft op grond van die verklaring redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woon- en leefsituatie. Anders dan door appellant betoogd, bestaat geen aanleiding om hetgeen [naam moeder] op 15 januari 2010 heeft verklaard voor onjuist te houden. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. [naam moeder] heeft in eerste instantie een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd. Hetgeen [naam moeder] later ter ontkrachting van die verklaring naar voren heeft gebracht, namelijk dat zij haar verklaring onder dreiging van en intimidatie door de sociale recherche en onder druk van de bij het huisbezoek aanwezige kinderen zou hebben afgelegd, heeft zij niet met enig verifieerbaar en controleerbaar stuk onderbouwd. Dat is daarom onvoldoende om aan de juiste weergave van de eerdere verklaring te twijfelen. Voor het college bestond dan ook aanleiding om appellant uit te nodigen voor een gesprek om meer duidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie te verkrijgen. Uit het in de rapportage van 26 februari 2010 opgenomen gespreksverslag blijkt dat appellant op 12 februari 2010 op de hoogte is gesteld van de reden van de oproeping en blijkt voorts dat appellant is gewezen op de aan de verlening van bijstand verbonden inlichtingenverplichting. Desondanks heeft appellant geen vragen over zijn woon- en leefsituatie willen beantwoorden noch willen meewerken aan verder onderzoek hiernaar. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat door de weigering van appellant op 12 februari 2010 meer duidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie te vestrekken, zijn recht op bijstand vanaf die datum niet kan worden vastgesteld.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen behoeven de overige gronden van appellant die zien op het huisbezoek van 15 januari 2010 en het daarbij ontbreken van “informed consent” van appellant geen bespreking.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

RB