Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3472

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11-2823 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2823 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 april 2011, 10/2628 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 14 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door H.J.A. Aerts, kantoorgenoot van mr. Houtsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft van 22 augustus 1994 tot 26 april 2009 een uitkering ingevolge de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 8 juli 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 25 februari 2009 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering met ingang van 26 april 2009 is ingetrokken. De intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 26 april 2009 heeft de Raad bij uitspraak van 8 juli 2011, LJN BR1089, in stand gelaten.

1.2. In verband met een ziekenhuisopname en een operatie heeft een verzekeringsarts van het Uwv gesteld dat appellante tijdens de ziekenhuisopname en in de herstelperiode van drie maanden daarna op medische gronden volledig arbeidsongeschikt was. Dat heeft geleid tot twee beslissingen van het Uwv van 20 januari 2010. Bij de eerste beslissing heeft het Uwv met ingang van 26 juni 2009 aan appellante een WAO-uitkering toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Bij de tweede beslissing heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 30 augustus 2009 ingetrokken. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien het Uwv niet te volgen in het standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 augustus 2009 in voldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd geconcludeerd dat de bevindingen van de psychiater prof. dr. R.S. Kahn geen aanleiding geven om meer beperkingen, geldend op de datum in geding, aan te nemen. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat uit het rapport van Kahn niet volgt dat appellante niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen rekening gehouden met de bij appellante aanwezige onderliggende persoonlijkheidsstoornis.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij tengevolge van een scala aan lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen ondervindt dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juni 2010 zijn aangenomen. Zij acht zich op en na 30 augustus 2009 niet in staat tot het duurzaam en fulltime verrichten van arbeid. Zij is dan ook van oordeel dat zij onveranderd als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO dient te worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat de verzekeringsgeneeskundige beoordelingen op voldoende zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door appellante in beroep ingediende gronden tegen het bestreden besluit niet slagen. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn reactie van 17 juni 2011 op het aanvullend hoger beroepschrift op overtuigende wijze weersproken.

4.3. Ter zitting heeft appellante nog benadrukt dat ook prof.dr. Kahn in zijn onderzoek aanwijzingen heeft gevonden om haar fors beperkt te achten in het uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en samenwerken, voortvloeiend uit haar persoonlijkheidsstoornis. Zoals de rechtbank heeft overwogen is bij het opstellen van de FML rekening gehouden met de beperkingen voortvloeiend uit de bij appellante bestaande persoonlijkheidsproblematiek. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 maart 2011, bezien in samenhang met de rapportage van zijn collega bezwaarverzekeringsarts van 8 maart 2011, geven een overtuigende motivering waarom op deze aspecten de bevindingen van Kahn niet worden gevolgd. Nu van twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit geen sprake, bestaat geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.4. Appellante heeft geen zelfstandige bezwaren tegen de geselecteerde functies aangevoerd, zodat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geen bespreking behoeft.

4.5. Gelet op de overwegingen in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) K.E. Haan

JvC