Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12/1197 ZVW + 12/1233 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage voor het jaar 2008. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante in 2007 en 2008 verdragsgerechtigd was en een buitenlandbijdrage verschuldigd was, en dat zij geen keuzerecht had. Voorts oordeelt de Raad dat het feit dat de zorgverstrekking in Ierland mede wordt gefinancierd met algemene middelen, zodat appellante als belastingplichtige reeds daaraan heeft bijgedragen, een interne Ierse zaak is. De grond dat Cvz tekort is geschoten in zijn informatieplicht jegens appellante treft geen doel. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw had appellante zich moeten melden bij Cvz. Uit de gedingstukken, met name het hoger beroepschrift, maakt de Raad op dat appellante en haar echtgenoot in 2006 en 2007 van Cvz informatie hebben ontvangen over de Zvw. Desalniettemin heeft appellante zich niet tot Cvz gewend om zich te melden en/of nadere informatie in te winnen over haar persoonlijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1197 ZVW en 12/1233 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2012, 11/4488 en 11/4489 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (Ierland) (appellante)

College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2012. Appellante is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante (geboren in 1945) woont sinds 2000 samen met haar echtgenoot in Ierland. Vanaf 1 januari 2007 ontvangt zij een vervroegd pensioen van de Stichting Pensioenfonds Elsevier Ondernemingen (SPEO).

1.2. Ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellante door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 recht op zorg in haar woonland (Ierland). Hiervoor is appellante ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.3. Bij besluit van 9 april 2011 (voorlopige jaarafrekening) heeft Cvz de door appellante verschuldigde voorlopige buitenlandbijdrage voor het jaar 2008 vastgesteld op € 1.441,13.

1.4. Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen de voorlopige jaarafrekening 2008 ongegrond verklaard.

1.5. Bij besluit van 19 mei 2011 (definitieve jaarafrekening) heeft Cvz de door appellante verschuldigde definitieve jaarafrekening 2007 vastgesteld op € 1.226,44.

1.6. Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft Cvz het bezwaar van appellante tegen de definitieve jaarafrekening 2007 ongegrond verklaard.

1.7. Bij besluit van 13 november 2011 (definitieve jaarafrekening) heeft Cvz de door appellante verschuldigde definitieve buitenlandbijdrage voor het jaar 2008 vastgesteld op € 1.444,13. Bij besluit van 13 maart 2012 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 9 augustus 2011 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante stelt Cvz zich ten onrechte op het standpunt dat hij niet op de hoogte was van haar verhuizing naar Ierland. Cvz heeft zich onvoldoende ingespannen om appellante (tijdig) te informeren over de consequenties van de wijziging van het Nederlandse ziektekostenstelsel. Cvz had informatie in kunnen winnen over haar verhuizing naar Ierland bij haar echtgenoot die sinds 2006/2007 communiceert met Cvz, haar voormalige werkgever Elsevier Science, de Belastingdienst en het Bevolkingsregister in Amsterdam. Volgens appellante is zij door Cvz ‘gebombardeerd’ met informatie over de nieuwe Zvw en heeft ook haar echtgenoot in 2006/2007 informatie over de Zvw ontvangen. Omdat appellante geen informatie van Cvz heeft ontvangen die specifiek op haar situatie was gericht, is zij er van uit gegaan dat zij die informatie pas zou ontvangen op het moment dat zij 65 zou worden, zijnde 2010. Hiervan uitgaande, heeft appellante vanaf 2000 een groot deel van haar ziektekosten zelf betaald en een deel vergoed gekregen van de door haar in Ierland afgesloten ziektekostenverzekering. Appellante ziet niet in waarom zij (achteraf) een buitenlandbijdrage dient te betalen en waarom zij verplicht is deel te nemen aan het Nederlands ziektekostenstelsel.

3.2. Cvz heeft naar voren gebracht dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte de NHS is vermeld omdat dat een Britse - en niet een Ierse instelling - is. Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat zij dubbele lasten heeft, verwijst Cvz naar de uitspraak van de Raad van 5 augustus 2011, LJN BR4798. Cvz was bevoegd om een buitenlandbijdrage te heffen. De omstandigheid dat appellante daarover niet zou zijn geïnformeerd door Cvz doet daaraan niet af. Nu appellante zich in strijd met artikel 69, eerste lid, van de Zvw niet heeft gemeld bij Cvz op het moment dat zij een vervroegd pensioen ontving, kon Cvz appellante niet informeren dat zij verdragsgerechtigd is en dat zij een buitenlandbijdrage verschuldigd is.

Cvz heeft zich ten aanzien van het hoger beroep in de zaak betreffende de voorlopige vaststelling van de buitenlandbijdrage 2008 op het standpunt gesteld dat na de definitieve jaarafrekening het procesbelang voor appellante is komen te ontvallen. Weliswaar stelt Cvz met de voorlopige jaarafrekeningen een betalingsverplichting vast, maar deze vervalt volgens het systeem van de bijdragevaststelling zodra de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Bovendien neemt Cvz geen invorderingsmaatregelen ten aanzien van voorlopige jaarafrekeningen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of appellante nog voldoende procesbelang heeft bij een uitspraak over de vaststelling van de voorlopige jaarafrekening over 2008.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger)beroepschrift met het indienen van het (hoger)beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.3. Op grond van de voorlopige jaarafrekening heeft appellante een betalingsverplichting ten aanzien van de verschuldigde buitenlandbijdrage. De voorlopige jaarafrekening is dan ook gericht op rechtsgevolg en daardoor een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen de mogelijkheid van bezwaar en (hoger) beroep open staat. Voor de stelling van Cvz dat deze betalingsverplichting vervalt met de definitieve jaarafrekening 2008, ziet de Raad geen aanknopingspunten in de Zvw en in de artikelen 6.3.1. tot en met 6.3.6. van de Regeling zorgverzekering (Stcrt. 2005, 171) die nadere regels bevatten voor de heffing van de buitenlandbijdrage. Deze stelling kan er mitsdien niet toe leiden dat geen procesbelang zou bestaan bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekening. Evenals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 13 januari 2010 (LJN BK8949) is de Raad van oordeel dat procesbelang daarin kan zijn gelegen dat dit oordeel ook gevolgen kan hebben voor de definitieve jaarafrekening en de daarover eventueel lopende procedures. Het enkele feit dat nadien de definitieve jaarafrekening is vastgesteld doet het procesbelang van een betrokkene bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekening niet vervallen.

4.4. Dit betekent dat appellante procesbelang heeft behouden bij de beoordeling van de voorlopige jaarafrekening over 2008 en dat in het navolgende wordt ingegaan op de inhoudelijke gronden van het hoger beroep.

4.5. Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.6. Evenals de rechtbank is de Raad - onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak bijvoorbeeld de uitspraken van 15 juli 2011, LJN BR1924 en 5 augustus 2011, LJN BR4798 - van oordeel dat appellante in 2007 en 2008 verdragsgerechtigd was en een buitenlandbijdrage verschuldigd was, dat zij geen keuzerecht had. Voorts oordeelt de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 september 2011, LJN BT2319 - dat het feit dat de zorgverstrekking in Ierland mede wordt gefinancierd met algemene middelen, zodat appellante als belastingplichtige reeds daaraan heeft bijgedragen, een interne Ierse zaak is.

4.7. De grond dat Cvz tekort is geschoten in zijn informatieplicht jegens appellante treft geen doel. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw had appellante zich moeten melden bij Cvz. Uit de gedingstukken, met name het hoger beroepschrift, maakt de Raad op dat appellante en haar echtgenoot in 2006 en 2007 van Cvz informatie hebben ontvangen over de Zvw. Desalniettemin heeft appellante zich niet tot Cvz gewend om zich te melden en/of nadere informatie in te winnen over haar persoonlijke situatie.

4.8. Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) M.R. Schuurman

IvR