Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11-3427 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ouderdomspensioen ingevolge de AOW ter hoogte van 64% van het pensioen voor een gehuwde. De Svb heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft miskend dat de vaststelling dat sprake is van een bijzonder geval ertoe leidt dat de Svb bevoegd is het pensioen met een verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen en dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan het door de Svb gevoerde beleid met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheid. Nu betrokkene desgevraagd heeft aangegeven dat zij gehuwd is en niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot en de Svb aan haar ook een gehuwdenpensioen heeft toegekend, moet geconcludeerd worden dat de Svb, bij de beoordeling van de hardheid, terecht is uitgegaan van het volledige gehuwdenpensioen als de toepasselijke minimumnorm. Svb heeft terecht beslist dat geen sprake is geweest van hardheid vanaf juli 2005. Dit betekent dat de Svb met inachtneming van zijn beleid heeft kunnen beslissen om het ouderdomspensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen aan betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3427 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011, 10/1590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[A. te B.], Marokko (betrokkene)

Datum uitspraak: 7 juni 2013

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Bij brieven 6 juli 2012 en 7 januari 2013 heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord. Op eerstgenoemde brief heeft mr. De Roy van Zuydewijn gereageerd bij schrijven van 17 oktober 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2013. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes. Namens betrokkene is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is geboren in 1940 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Zij is op

28 april 1966 gehuwd met [naam echtgenoot], geboren in 1946. De echtgenoot van betrokkene is in 1974 naar Nederland gekomen en woont sindsdien hier te lande. Betrokkene is in Marokko blijven wonen.

1.2. Bij besluit van 4 januari 2010 heeft de Svb afwijzend beslist op een aanvraag van betrokkene om toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij is overwogen dat betrokkene niet verzekerd is geweest krachtens de AOW en dat zij ook op grond van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak kan maken op een Nederlands ouderdomspensioen.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 22 februari 2010 heeft de Svb het bezwaar gericht tegen het besluit van 4 januari 2010 ongegrond verklaard.

2.1. Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft de Svb bij besluit van 8 oktober 2010 (bestreden besluit) alsnog met ingang van maart 2008 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan betrokkene toegekend ter hoogte van 64% van het pensioen voor een gehuwde. Vervolgens heeft de Svb een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene van

€ 437,- voor de kosten in de bezwaarfase en is de wettelijke rente vergoed over de nabetaling van het ouderdomspensioen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat betrokkene met ingang van 1 maart 2008 recht heeft op ouderdomspensioen. Daartoe is overwogen dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW. Verder heeft de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepaald dat met ingang van 1 juli 2005 een ouderdomspensioen wordt toegekend aan betrokkene, dat de Svb de wettelijke rente moet vergoeden over de na te betalen bedragen en dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. Tevens is de Svb veroordeeld in de proceskosten en is bepaald dat de Svb het griffierecht aan betrokkene dient te vergoeden.

3.1. De Svb heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een bijzonder geval en subsidiair dat de rechtbank niet heeft kunnen beslissen dat er met een terugwerkende kracht tot 1 juli 2005 recht bestaat op het ouderdomspensioen, omdat niet is onderzocht of sprake is van hardheid.

3.2. Bij brief van 6 juli 2012 heeft de Svb meegedeeld dat het hoger beroep wordt ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de vaststelling dat sprake is van een bijzonder geval. Verder heeft de Svb nader toegelicht dat geen sprake is van hardheid als bedoeld in de Beleidsregels van de Svb, omdat het inkomen van de echtgenoot van betrokkene laatstelijk € 2.014,51 bruto per maand bedroeg.

3.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van betrokkene verklaard dat de echtgenoot van betrokkene weliswaar 24 jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt, maar dat het aan de Svb is alle relevante gegevens met betrekking tot het inkomen van betrokkene te onderzoeken en op basis daarvan te beoordelen of sprake is van hardheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Nu de Svb bij brief van 6 juli 2012 heeft erkend dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW, staat vast dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de ingangsdatum van het pensioen. Het besluit is in zoverre immers onjuist dat de Svb daarbij heeft miskend dat sprake is van een bijzonder geval en dat de Svb dus bevoegd was het ouderdomspensioen met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen.

4.2. Tussen partijen is in hoger beroep derhalve nog in geschil of de rechtbank terecht zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat betrokkene met ingang van 1 juli 2005 recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW en op een vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van ouderdomspensioen.

4.3. De Svb heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft miskend dat de vaststelling dat sprake is van een bijzonder geval ertoe leidt dat de Svb bevoegd is het pensioen met een verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen en dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan het door de Svb gevoerde beleid met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheid. De aangevallen uitspraak is in zoverre onzorgvuldig en kan derhalve niet in stand blijven.

4.4. Er bestaat geen aanleiding het geschil terug te wijzen naar de rechtbank nu inmiddels voldoende gegevens beschikbaar zijn om tot een definitieve beslechting van het geschil tussen partijen te kunnen komen.

4.5. De Svb voert ten aanzien van de gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW het beleid dat die bevoegdheid slechts wordt gebruikt als het van hardheid zou getuigen te volstaan met een terugwerkende kracht van één jaar. Van een dergelijke hardheid is sprake indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering waarop hij recht zou hebben gehad. Deze schade wordt geacht te zijn opgetreden indien zijn netto inkomen mede door het niet tijdig aanvragen van de desbetreffende uitkering, onder de voor hem geldende minimumnorm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraakgevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar voor de aanvraag. Voor de bepaling van het netto-inkomen worden alle inkomensbestanddelen van de gerechtigde en zijn eventuele partner in aanmerking genomen. Als minimumnorm voor toepassing op de AOW gelden de op de desbetreffende situatie toepasselijke volledige netto uitkeringsbedragen als genoemd in artikel 9 van de AOW. Op dit genoten inkomen kunnen eventueel bijzondere uitgaven in mindering worden gebracht welke verband houden met het verzekerde risico zoals bijvoorbeeld kosten van leningen die betrokkene heeft moeten maken om te kunnen voorzien in de behoeften waarvoor de desbetreffende uitkeringen zijn bedoeld.

4.6. Nu betrokkene desgevraagd heeft aangegeven dat zij gehuwd is en niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot en de Svb aan haar ook een gehuwdenpensioen heeft toegekend, moet geconcludeerd worden dat de Svb, bij de beoordeling van de hardheid, terecht is uitgegaan van het volledige gehuwdenpensioen als de toepasselijke minimumnorm. Voorts staat vast dat de echtgenoot van betrokkene gedurende het tijdvak vanaf juli 2005 in Nederland werkzaam is geweest bij dezelfde werkgever tegen een loon dat in 2010 ruim boven de minimumnorm was gelegen. Desgevraagd is namens betrokkene meegedeeld dat het inkomen van de echtgenoot in de jaren voor 2010 niet substantieel afwijkend is geweest. Verder is namens betrokkene verklaard dat vanaf juli 2005 geen uitgaven zijn gedaan als bedoeld in het beleid van de Svb die op het inkomen in mindering gebracht kunnen worden, omdat de echtgenoot betrokkene en zijn overige gezinsleden toen - evenals daarvoor - van zijn salaris heeft onderhouden. Voor een onderzoek naar de exacte inkomsten van de echtgenoot van betrokkene bestaat, gelet op de thans beschikbare gegevens vanuit Suwinet over de hoogte van het inkomen van de echtgenoot van betrokkene, geen aanleiding. Gelet op deze gegevens moet geconcludeerd worden dat de Svb terecht heeft beslist dat geen sprake is geweest van hardheid vanaf juli 2005. Dit betekent dat de Svb met inachtneming van zijn beleid heeft kunnen beslissen om het ouderdomspensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen aan betrokkene.

4.7. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak voorziend heeft bepaald dat betrokkene met ingang van 1 juli 2005 recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW en heeft bepaald dat wettelijke rente vergoed dient te worden over de nabetaling. Verder vloeit uit het hiervoor overwogene voort dat aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 oktober 2010 in stand blijven.

5. Nu terecht verweer is gevoerd tegen de primair door de Svb aangevoerde grond en eerst in hoger beroep onderzoek is gedaan naar de hiervoor besproken hardheid is er aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.180,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak

voorziend heeft bepaald dat betrokkene met ingang van 1 juli 2005 recht heeft op een

ouderdomspensioen ingevolge de AOW en heeft bepaald dat de wettelijke rente vergoed

dient te worden over de nabetaling;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 oktober 2010 in stand blijven;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

-veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.180,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) K.E. Haan

QH