Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
12-4298 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd was voor de ANW. Herhaald verzoek. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4298 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2012, 11/3699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 14 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 mei 2013. Partijen zijn - de Svb met voorafgaand bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante woont in Marokko en is vanaf 1989 gehuwd geweest met [naam echtgenoot]. Haar echtgenoot woonde laatstelijk in Marokko en ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). [In] 2008 is hij in Marokko overleden. In oktober 2008 heeft appellante de Svb verzocht aan haar een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen. Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2009 heeft de Svb zijn besluit van 16 oktober 2008 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd was voor de ANW.

1.2. Bij uitspraak van 8 juni 2010 (09/4558) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellante tegen het besluit van 14 september 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 30 september 2011 (LJN BT6418) de uitspraak van de rechtbank van 8 juni 2010 in hoger beroep bevestigd.

1.3. In november 2010 heeft appellante een nieuwe aanvraag om een nabestaandenuitkering ingediend. Bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 20 juni 2011 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag bij het primaire besluit van 22 februari 2011 kennelijk ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Svb overwogen dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd welke ten tijde van de bij overweging 1.1 vermelde besluiten niet bekend waren en zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag terecht is afgewezen. Voorts heeft de Svb overwogen dat niet is gebleken van een evident onjuist genomen besluit.

2.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat haar een nabestaandenuitkering toekomt omdat haar echtgenoot een WAO-uitkering ontving.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank met betrekking tot de weigering om terug te komen van de eerdere besluiten tot afwijzing van de ANW-uitkering overwogen dat in de door appellante aangevoerde gronden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten liggen en dat de Svb dan ook bevoegd was om de herhaalde aanvraag af te wijzen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen feiten heeft gesteld waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat het besluit van 16 oktober 2008 onmiskenbaar onjuist is en dat de Svb zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van zijn beleid niet gehouden was om terug te komen van voormeld besluit. Voor wat betreft de periode na de datum van de herhaalde aanvraag heeft de rechtbank vastgesteld dat de Svb daarop niet expliciet heeft beslist. De rechtbank heeft hieraan geen consequenties verbonden nu evident is dat appellante geen aanspraak op een ANW-uitkering kan maken, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij niet wist dat haar overleden echtgenoot geen vrijwillige verzekering had afgesloten. Zij wenst toekenning van een ANW-uitkering en heeft zich bereid verklaard om, indien haar een ANW-uitkering zal worden verstrekt, achterstallige premies te voldoen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante bij haar herhaalde verzoek om toekenning van een nabestaandenuitkering geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat de Svb dan ook toepassing heeft kunnen geven aan het tweede lid van dit artikel. Uit hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat appellante op zich niet - langer - betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW, maar slechts benadrukt dat zij daarvan niet op de hoogte was. Daarin is geen grond gelegen om te komen tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen, als in samenvatting weergegeven onder 2.2.

4.2. Gelet op overweging 4.1 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

QH