Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3224

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12-1103 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag . Geen Nederlandse nationaliteit. Toetsing beleid. Geen sprake van een schrijnende leefsituatie vanwege financiële omstandigheden die aan het ondergane ernstige en ingrijpende oorlogsleed zijn toe te schrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1103 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

erven van [F.], laatst gewoond hebbende te Raymond, Verenigde Staten (appellanten)

Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 13 juni 2013

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 oktober 2011, kenmerk BZ01381686. Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Appellanten zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 17 januari 2013 heeft verweerder van de zijde van de Raad gestelde vragen beantwoord.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 2 mei 2013. Appellanten zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 23 juni 2011, LJN BR0123. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.2. Wijlen de heer [F.], geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 1950 naar Nederland gekomen. In 1958 heeft hij zich in de Verenigde Staten gevestigd. In 1969 heeft hij de Amerikaanse nationaliteit aangenomen.

1.3. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft verweerder erkend dat de heer [F.] is getroffen door oorlogsgeweld. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder de aanvraag van de heer [F.] om een toeslag, een periodieke uitkering en een voorziening op grond van de Wubo afgewezen, op de grond dat hij ten tijde van de aanvraag niet de Nederlandse nationaliteit had. Verweerder heeft daarbij geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan het van een klaarblijkelijke hardheid zou zijn om de Wubo niet toe te passen. Het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder bij besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Bij de onder 1.1 vermelde uitspraak van 23 juni 2012 heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 12 mei 2009 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij is overwogen, kort weergegeven, dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij in dit geval geen gebruik had gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wubo.

1.5. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2008 bij het bestreden besluit opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar beleid over de toepassing artikel 3, tweede lid, van de Wubo, dat is vastgesteld naar aanleiding van diverse uitspraken van de Raad in vergelijkbare gevallen. Volgens verweerder leidt toepassing van dit beleid tot de conclusie dat geen sprake is van klaarblijkelijke hardheid in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Wubo.

1.6. Bij de in rubriek I vermelde brief van 17 januari 2013 heeft verweerder een nadere toelichting gegeven wat betreft categorie D van het inmiddels aangepaste beleid. Mede onder verwijzing naar bij appellanten opgevraagde financiële gegevens over de heer [F.] heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een schrijnende leefsituatie als gevolg van het ondergane oorlogsleed.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wubo is deze wet, voor zover in dit geding van belang, van toepassing op degene die in de naoorlogse jaren als burger getroffen is door oorlogsgeweld en op dat moment Nederlander was dan wel Nederlands onderdaan, op voorwaarde dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

2.2. Vast staat dat de heer [F.] ten tijde van zijn aanvraag niet langer de Nederlandse nationaliteit bezat. Hij behoorde dan ook in beginsel niet tot de kring van rechthebbenden van de Wubo. Dit wordt niet anders doordat verweerder wel heeft erkend dat de heer [F.] is getroffen door oorlogsgeweld. Deze erkenning berust op artikel 2 van de Wubo, die vooraf gaat aan de beoordeling op grond van artikel 3.

2.3. In artikel 3, tweede lid, van de Wubo is geregeld dat de wet ook kan worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van deze wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

2.4. In eerdere uitspraken over het beleid waarop het bestreden besluit berust heeft de Raad geoordeeld dat dit beleid in rechte niet onverkort stand houdt (CRvB 30 augustus 2012, LJN BX6130, BX6141 en andere). Dit brengt mee dat het bestreden besluit wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking komt.

2.5. Naar aanleiding van de onder 2.4 genoemde uitspraken heeft verweerder een nader wegingskader vastgesteld.

2.5.1. Dit aangepaste beleid houdt in dat wordt gekeken naar:

A. De reden van emigratie. Er moet sprake zijn van een stringente medische noodzaak voor vestiging in het buitenland, die een gevolg is van uit de oorlogsgebeurtenis voortvloeiende gezondheidsproblemen.

B. De reden van het verlies van de Nederlandse nationaliteit. Als zeer bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt het verlies of niet herkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door omstandigheden die buiten de macht van de aanvrager liggen.

C. Aard en ernst van de oorlogsomstandigheden en de daaruit voortvloeiende gezondheidsomstandigheden. Als zeer bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt de opname in een psychiatrische inrichting ten gevolge van de oorlogsgebeurtenissen dan wel ernstige verminking door oorlogsgeweld.

D. Overige omstandigheden. Als zeer bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt een schrijnende leefsituatie die aan het ondergane ernstige en ingrijpende oorlogsleed is toe te schrijven, waarbij onder andere de sociale en financiële omstandigheden worden beoordeeld.

2.5.2. De weging wordt nu als volgt omschreven. Wanneer aan één van de onder A tot en met D omschreven criteria is voldaan, is sprake van zeer bijzondere omstandigheden en kan toepassing worden gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Wubo. De onder A tot en met D beschreven situaties zijn uitsluitend bedoeld als voorbeelden.

2.5.3. Bij uitspraak van 20 december 2012, LJN BY7839 heeft de Raad geoordeeld dat dit aangepaste beleid binnen de grenzen van artikel 3, tweede lid, van de Wubo blijft en op zichzelf als een redelijke invulling van die anti-hardheidsbepaling kan worden aanvaard.

2.6. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die wijzen op een situatie die valt onder één van de categorieën A tot en met C en de Raad ziet voor het bestaan daarvan ook geen aanwijzingen. Wat betreft categorie D, “Overige omstandigheden”, heeft verweerder onweersproken gesteld dat, voor zover op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld, niet is gebleken dat de heer [F.] en zijn echtgenote in de periode 2007 tot 2010 een inkomen hebben gehad dat onder de in de Verenigde Staten geldende armoedegrens heeft gelegen. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat, voor zover dit wel het geval is geweest, dit geen gevolg is geweest van het door de heer [F.] ondergane oorlogsleed. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de echtgenote van de heer [F.] in de desbetreffende periode tweemaal een operatie heeft ondergaan, waaraan hoge kosten waren verbonden. De Raad acht met deze nadere motivering voldoende onderbouwd dat geen sprake is van een schrijnende leefsituatie vanwege financiële omstandigheden die aan het ondergane ernstige en ingrijpende oorlogsleed zijn toe te schrijven. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van een situatie die valt onder categorie D van het beleid.

2.7. Gezien hetgeen is overwogen onder 2.5 en 2.6 ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, aangezien van daarvoor in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) T.A. Meijering

HD