Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-4432 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Diverse periodes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4432 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 juni 2011, 11/382 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak: 4 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak van [B.] ([B.]) met reg.nr. 11/4431 WWB, plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blom. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [B.] heeft vanaf 12 januari 2007 tot 24 mei 2007 en van 1 november 2007 tot en met 22 februari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm van alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Bij besluit van 19 januari 2010 is [B.] per 23 februari 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Als woonadres heeft [B.] opgegeven [adres] te Zwolle.

1.2. Appellant heeft met ingang van 4 januari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm van alleenstaande met een toeslag van 10%.

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip over vermeende samenwoning van appellant met [B.], heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle (Sociale Recherche) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van [B.]. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn appellant en [B.] verhoord, hebben waarnemingen en observaties op [adres 1] plaatsgevonden en zijn zes bewoners van [adres 1] als getuigen gehoord. Voorts is het bedrijfsprocessen systeem van de regiopolitie IJsselland (BPS) geraadpleegd en zijn gegevens opgevraagd bij de woningbouwvereniging. De bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van 12 april 2010.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 17 mei 2010 de bijstand van [B.] over de periode van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007 en vanaf 1 november 2007 in te trekken op de grond dat [B.] een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd waarvan zij aan het college geen mededeling heeft gedaan. Daarnaast zijn de over de periode van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007 en 1 november 2007 tot en met 22 februari 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.511,24 (bruto) van [B.] teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het college de bezwaren van [B.] tegen de besluiten van 17 mei 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juni 2011 het beroep tegen het besluit van 20 januari 2011 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, nummer 11/4431 WWB, heeft de Raad de rechtbankuitspraak van 30 juni 2011 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 20 januari 2011 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 17 mei 2010 herroepen.

1.6. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het college appellant voor de terugbetaling van de ten onrechte aan [B.] verleende bijstand tot eenzelfde bedrag hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Voorts heeft het college bij afzonderlijk besluit van 17 mei 2010 de bijstand van appellant met ingang van 4 januari 2010 ingetrokken en de over de periode van 4 januari 2010 tot en met 31 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 668,80 (netto) van appellant teruggevorderd, op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding met [B.] heeft gevoerd waarvan hij aan het college geen opgave heeft gedaan.

1.7. Bij besluit van 20 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 17 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant en [B.] gedurende de in geding zijnde perioden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat de verklaringen van de buurtbewoners van [adres 1] onvoldoende concreet zijn. Appellant heeft voorts gesteld dat zowel de omstandigheid dat bij huisbezoeken geen persoonlijke spullen van hem zijn aangetroffen als de registraties in het BPS contra-indicaties zijn voor hoofdverblijf van hem aan [adres 1].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Vaststaat dat uit de relatie tussen appellant en [B.] drie kinderen zijn geboren. Het oudste kind is geboren voor 12 januari 2007. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen perioden van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007, van 1 november 2007 tot en met 22 februari 2009 en van 4 januari 2010 tot en met 17 mei 2010 sprake was van een gezamenlijke huishouding, is gelet daarop uitsluitend van belang of appellant en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

de perioden van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007 en 1 november 2007 tot en met 22 februari 2009

4.2. In zijn in 1.5 genoemde uitspraak van heden, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant met [B.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd over de perioden van 12 januari 2007 tot en met 23 mei 2007 en van 1 november 2007 tot 23 februari 2009. De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geding tot een ander oordeel te komen.

4.3. Uit 4.2 volgt dat appellant niet de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [B.] rekening had moeten worden gehouden. Nu dit met zich brengt dat ten aanzien van appellant niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, was het college niet bevoegd de kosten van de over de hiervoor genoemde periodes aan [B.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de medeterugvordering van bijstand van appellant over deze periodes berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

de periode van 4 januari 2010 tot en met 17 mei 2010 (datum intrekkingsbesluit)

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant en [B.] gedurende deze periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. [B.] heeft verklaard dat [A.] vanaf maart 2009 weer een beetje bij haar over de vloer mag komen. Appellant heeft verklaard dat hij van Bureau Jeugdzorg in maart 2009 weer bij [B.] mocht komen. Hij was vanaf die tijd meer bij [B.] dan op zijn eigen adres aan de [adres 2]. Dat was eigenlijk een postadres. Sinds hij uit detentie is gekomen in september 2009 brengt hij altijd ’s-ochtends zijn dochter naar school. Deze verklaringen vinden steun in de waarnemingen die hebben plaatsgevonden bij het adres [adres] in de periode van 7 december 2009 tot 7 maart 2010.

4.5. Uit 4.4 volgt dat appellant in de periode van 4 januari 2010 tot en met 17 mei 2010 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [B.]. Gelet hierop slaagt het hoger beroep van appellant niet ten aanzien van deze periode.

conclusie

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking voor zover het de medeterugvordering betreft. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van

20 januari 2011 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, voor zover dit betrekking heeft op de medeterugvordering, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb het op de medeterugvordering betrekking hebbende besluit van 17 mei 2010 te herroepen nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. De aangevallen uitspraak komt voor het overige voor bevestiging in aanmerking.

5. Ten slotte bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in bezwaar, € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.832,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de medeterugvordering;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 januari 2011 voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering;

- herroept het op de medeterugvordering betrekking hebbende besluit van 17 mei 2010 en

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 januari 2011;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.832,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD