Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
12-2053 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging nabestaandenuitkering omdat het jongste kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. Geen recht op een nabestaandenuitkering wegens arbeidsongeschiktheid: minder dan 45% arbeidsongeschikt. Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsartsen bij het opstellen van de FML voldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen van appellante en voorts dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft waarom de in beroep door appellante overgelegde stukken geen aanleiding hebben gegeven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2053 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 februari 2012, 11/8216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 14 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kloos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde mr. R.G. van den Heuvel, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1. Op 15 maart 1999 is de echtgenoot van appellante overleden. Hierop heeft de Svb aan appellante (geboren in 1960) met ingang van 1 maart 1999 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende nabestaandenuitkering met ingang van 1 april 2011 wordt beëindigd, onder overweging dat haar jongste kind op 4 maart 2011 de leeftijd van 18 jaar bereikt.

1.3. Naar aanleiding van het besluit van 7 januari 2011 heeft een dochter van appellante op 20 januari 2011 telefonisch aan de Svb meegedeeld dat appellante niet in staat is om te werken. Hierop heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het Uwv heeft op 4 maart 2011 advies uitgebracht aan de Svb.

1.4. Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 april 2011 geen recht heeft op een nabestaandenuitkering wegens arbeidsongeschiktheid, omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.5. Bij brief van 6 april 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 maart 2011. Zij heeft de Svb erop gewezen dat zij al jaren problemen heeft met haar gezondheid en dat het Uwv haar heeft meegedeeld dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.6. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft de Svb als bijlage bij de brief van 27 april 2011 aan appellante rapportages toegezonden van 3 maart 2011 van verzekeringsarts G.W.M. Pegt en van arbeidsdeskundige H.J.J.M. Janssen. Voorts heeft de Svb bij brief van 1 juni 2011 het Uwv verzocht om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante te verrichten en om medische gegevens bij haar huisarts op te vragen. Uit de hierna ingezonden stukken van het Uwv blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep G.K. Hebly na bestudering van alle gegevens in het dossier, onderzoek van appellante en het betrekken van aanvullende informatie tot de conclusie is gekomen dat er een noodzaak is de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) uit te breiden. Vervolgens is rapport uitgebracht door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep W.G.E. Buskermolen. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante ook met de aanvullende beperkingen in passende functies een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid.

1.7. Bij beslissing op bezwaar van 14 september 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 17 maart 2011 gehandhaafd.

2.1. In beroep heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door de primaire verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest en dat de lichamelijke beperkingen welke door de reumatoloog in september 2011 zijn vastgesteld voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep hadden moeten leiden tot verdergaande aanpassing van de FML.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is te achten, nu hij zijn oordeel heeft gevormd op basis van de bevindingen van zijn eigen onderzoek en de verkregen informatie van de huisarts. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat ook de brief van de reumatoloog van 20 december 2011 geen aanleiding geeft meer beperkingen aan te nemen dan reeds in de FML zijn vastgelegd. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische geschiktheid van de geduide functies voldoende is gemotiveerd.

3. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, niet toereikend is. Zij heeft de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald en benadrukt dat met name uit het onderzoek door de haar behandelend reumatoloog is gebleken dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, waardoor zij de geduide functies niet kan vervullen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene arbeidsongeschiktheidswet (kortweg: de arbeidsongeschiktheidswetten) en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.3. Er is geen aanleiding het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsartsen bij het opstellen van de FML voldoende rekening hebben gehouden met de beperkingen van appellante en voorts dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft waarom de in beroep door appellante overgelegde stukken geen aanleiding hebben gegeven om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. De mededeling ter zitting dat appellante thans op de wachtlijst staat voor een intake bij het GGZ kan niet tot een ander oordeel leiden, nu hiermee geen gegevens zijn ingebracht die zien op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding

4.4. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de Svb met de ingebrachte rapportages toereikend heeft gemotiveerd waarom appellante ondanks haar medische beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de door de arbeidsdeskundige geduide functies.

4.5. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

IvR