Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12/1448 WWB + 12/1449 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het beroep op 8 september 2011 geen sprake was van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit waartegen op grond van artikel 6:2 van de Awb beroep kon worden ingesteld. Immers, op 3 augustus 2011 had het college al een besluit op bezwaar genomen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 januari 2004, LJN AO2505) kan, gelet op de beperkte strekking van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, op grond van deze bepaling geen rechtsmiddel meer worden aangewend indien eenmaal een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is genomen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1448 WWB, 12/1449 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 februari 2012, 11/2326 en 11/2394 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Vriend.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 2 september 2002 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant heeft op 2 februari 2011 bij het college bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een langdurigheidstoeslag van 21 augustus 2008.

1.3. Het college heeft appellant op 24 februari 2011 laten weten de aanvraag, die destijds was ingediend bij de rechtbank, alsnog in behandeling te nemen.

1.4. Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college aan appellant een langdurigheidstoeslag toegekend over de periodes van 21 augustus 2007 tot en met 20 augustus 2008, van 21 augustus 2008 tot en met 20 augustus 2009, van 21 augustus 2009 tot en met 20 augustus 2010 en van 21 augustus 2010 tot en met 20 augustus 2011.

1.5. Appellant heeft op 2 mei 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 maart 2011.

1.6. Bij besluit van 3 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2011 ongegrond verklaard.

1.7. Bij brief van 8 september 2011 heeft appellant bij het college bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2011.

1.8. Het college heeft dit bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer - kort samengevat - aangevoerd dat hij al op 21 augustus 2008 bij de rechtbank een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag heeft gedaan. Wanneer de rechtbank zich had gehouden aan een correcte toepassing van de bepalingen over verzending, had het bestuursorgaan de aanvraag tijdig ontvangen en fatsoenlijk uitgevoerd. Nu is pas drie en een half jaar later een besluit genomen op de aanvraag. Het was volgens appellant juist om de aanvraag via de rechtbank te doen. Dat het college hem een langdurigheidstoeslag heeft toegekend, is niet als coulant te beschouwen, omdat hij recht heeft op langdurigheidstoeslag. Het behoort voorts tot de taak van het college uitkeringsgerechtigden op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van een langdurigheidstoeslag en een dergelijke rechtmatige voorziening dient ambtshalve te worden vastgesteld. Er is volgens appellant een wettelijke basis voor schadevergoeding en de schade is aannemelijk. Appellant heeft verder aangevoerd dat de langdurigheidstoeslag over de maanden september 2011, oktober 2011, november 2011, december 2011, januari 2012 en februari 2012 nog niet is voldaan. Ten aanzien van zijn bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2011 heeft appellant aangevoerd dat wanneer een besluit niet tijdig is genomen het formeel geen enkele rechtsgeldigheid heeft. Omdat de voor het nemen van een besluit geldende termijn is overschreden, is dan ook formeel nog geen besluit genomen. De uitspraak is niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Appellant heeft aangevoerd dat alle in deze procedure genoemde griffierechten, onkostenvergoedingen, schadevergoedingen en vorderingen legitiem zijn en volledig dienen te worden voldaan en nabetaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de langdurigheidstoeslag

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant pas op 2 februari 2011 een aanvraag voor een langdurigheidstoeslag bij het college heeft ingediend. Appellant heeft zich toen met een brief tot het college gewend omdat er nog geen besluit was genomen op de aanvraag van 21 augustus 2008 en het college heeft hierop de aanvraag in behandeling genomen. Uit de aan de rechtbank gerichte brief van 21 augustus 2008, waarin appellant te kennen geeft alvast een aanvraag om een langdurigheidstoeslag te doen, blijkt dat appellant om een aantal in die brief aangegeven redenen er zelf voor heeft gekozen zijn aanvraag op dat moment niet bij de gemeente in te dienen. De rechtbank was niet op grond van enige bepaling in de Awb gehouden de brief ter behandeling aan het college door te zenden. De door appellant aangehaalde artikelen 8:37 en 8:39 van de Awb zien op de verzending van stukken in een bij de rechtbank aanhangige procedure en zien niet op de situatie die hier aan de orde is.

4.2. Anders dan appellant kennelijk meent, bestond voorts voor het college geen verplichting om ambtshalve en uit eigen beweging aan appellant zonder een daartoe strekkende aanvraag een langdurigheidstoeslag te verlenen dan wel hem automatisch een aanvraagformulier op te sturen. Het betoog van appellant dat in zijn beroepschriften in andere procedures de langdurigheidstoeslag is vermeld, zodat het college bekend was met de aanvraag en deze in behandeling had moeten nemen, baat hem niet. Deze beroepschriften waren niet gericht aan het college en de vermelding daarin van een aanvraag laat onverlet dat het, gelet op het bepaalde in artikel 36 van de WWB, op de weg van appellant lag schriftelijk bij het college als het beslissingsbevoegde orgaan een aanvraag in te dienen, indien hij in aanmerking wenste te komen voor een langdurigheidstoeslag. Appellant heeft nog aangevoerd dat het de taak van het college is uitkeringsgerechtigden op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van een langdurigheidstoeslag, maar, wat daarvan verder ook zij, appellant was kennelijk wel op de hoogte van de mogelijkheid van het aanvragen van een langdurigheidstoeslag.

4.3. Ook het oordeel van de rechtbank dat het college appellant zeker niet tekort heeft gedaan door de datum van de brief aan de rechtbank als datum van aanvraag te nemen en vervolgens met ingang van 21 augustus 2007 aan appellant een langdurigheidstoeslag te verlenen, wordt onderschreven. Dit oordeel van de rechtbank ziet overigens niet op de toekenning als zodanig maar op de datum met ingang waarvan het college aan appellant een langdurigheidstoeslag heeft verleend.

4.4. De aan appellant bij besluit van 22 maart 2011 toegekende langdurigheidstoeslag is aan hem op 8 april 2011 betaalbaar gesteld, zo blijkt uit het onder 1.5 genoemde bezwaarschrift van 2 mei 2011.

4.5. Omdat het college na ontvangst van de aanvraag daarop binnen de geldende termijn een besluit heeft genomen en de langdurigheidstoeslag vervolgens tijdig aan appellant heeft uitbetaald, verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat van geleden schade of onkosten als gevolg van de besluitvorming van het college niet is gebleken.

4.6. Appellant heeft nog aangevoerd dat de langdurigheidstoeslag over de maanden september 2011 tot en met februari 2012 niet is voldaan, terwijl het recht hierop wel is vastgesteld. Dit punt blijft buiten bespreking, omdat gelet op de beslissing van 22 maart 2011, zoals vermeld onder 1.4, de langdurigheidstoeslag na augustus 2011 buiten de omvang van dit geding valt.

4.7. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het beroep op 8 september 2011 geen sprake was van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit waartegen op grond van artikel 6:2 van de Awb beroep kon worden ingesteld. Immers, op 3 augustus 2011 had het college al een besluit op bezwaar genomen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 januari 2004, LJN AO2505) kan, gelet op de beperkte strekking van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, op grond van deze bepaling geen rechtsmiddel meer worden aangewend indien eenmaal een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is genomen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.8. De beroepsgrond van appellant dat een besluit wanneer het niet tijdig is genomen, geen formele rechtskracht heeft, wordt verworpen. De Awb verbindt aan de enkele overschrijding van de voor het nemen van een besluit op een aanvraag en beslissing op bezwaar geldende termijnen niet het door appellant bedoelde gevolg.

4.9. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zijn besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en genomen en ook geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet deugdelijk is gemotiveerd.

4.10. Hetgeen appellant in hoger beroep overigens nog heeft aangevoerd, heeft de Raad niet geleid tot een ander oordeel dan de rechtbank.

4.11. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.12. Gelet op 4.11 is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M. Sahin

HD