Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11-3812 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de handelwijze van betrokkene geen plichtsverzuim oplevert, omdat zij in overeenstemming was met de destijds geldende procedures. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen. Wel terecht is de beroepsgrond van appellant dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over de andere gedragingen die aan betrokkene als plichtsverzuim ten laste zijn gelegd. Uit zijn verklaring tegenover het BIV komt naar voren dat hij bij herhaling, zonder voorafgaand overleg met hogergeplaatsten, controles heeft uitgevoerd in afwijking van de planning volgens het dienstrooster. De gedragingen leveren plichtsverzuim op in de zin van artikel 76 van het Barp. Gesteld noch gebleken is dat zij betrokkene niet of slechts verminderd kunnen worden toegerekend. De disciplinaire straf van schriftelijke berisping de lichtste straf die het Barp kent is voor deze feiten niet onevenredig. Dit laatste geldt eens te minder nu betrokkene een gewaarschuwd man was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3812 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 mei 2011, 10/907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland, thans: de Korpschef van politie (appellant)

[A. te B.] (betrokkene)

Datum uitspraak: 13 juni 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is appellant in dit geschil in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Noord en Oost Gelderland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van appellant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Betrokkene was als hoofdagent van politie werkzaam bij het team verkeershandhaving (VHT) te [C.]. In verband met signalen over onjuist gedrag en een onjuiste werkhouding binnen het VHT heeft het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) een oriënterend onderzoek ingesteld. Hiervan is op 20 juli 2009 rapport uitgebracht. Vervolgens heeft het BIV een disciplinair onderzoek tegen betrokkene ingesteld, waarvan op 5 oktober 2009 rapport is uitgebracht.

2.2. Op grond van de resultaten van deze onderzoeken heeft appellant bij besluit van 4 december 2009 voor zover hier van belang aan betrokkene de disciplinaire straf van berisping opgelegd. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 16 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voor zover hier van belang het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 4 december 2009 herroepen. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat betrokkene zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, zodat appellant niet bevoegd was om hem disciplinair te straffen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van artikel 77, eerste lid, van het Barp kan onder meer de straf van schriftelijke berisping worden opgelegd.

4.2. Appellant heeft betrokkene onder meer verweten dat hij de verantwoordingsstaten voor het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BVOM) verkeerd heeft ingevuld. Op deze staten verantwoordt de verbaliserende politieambtenaar de door hem uitgeschreven bekeuringen, met vermelding van de aard van de overtreding en de gemeente waar deze is gepleegd.

4.2.1. Vast staat dat betrokkene als plaats van de overtreding niet altijd de gemeente heeft vermeld waar hij het feit daadwerkelijk had geconstateerd. Wanneer hij onderweg van of naar de opgedragen controleplaats overtredingen vaststelde, verantwoordde hij al deze bekeuringen alsof zij in de gemeente van de controleplaats waren uitgeschreven, ook al was dit in feite ergens anders gebeurd. Daarmee beoogde hij een vereenvoudiging van zijn administratie, vanuit de gedachte dat de exacte plaats van de overtreding voor het BVOM toch niet van belang was. Op de bekeuringen zelf de ambtsedige constateringen vermeldde hij wèl de juiste gemeente.

4.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onder 4.2.1 geschetste handelwijze van betrokkene geen plichtsverzuim oplevert, omdat zij in overeenstemming was met de destijds geldende procedures. De verklaring van de groepschef B.J.L. stelt dit buiten twijfel. Volgens deze verklaring heeft de teamchef in [C.] over de BVOM-staten gezegd "dat wanneer je een bekeuring opdoet, aanrijdend naar je controleplaats, dat je deze bekeuring dan ook wel weg mag schrijven onder de gemeentenaam van de controleplaats". Appellant heeft geen begin van aannemelijkheid gegeven aan zijn stelling dat deze verklaring, vanwege haar context, anders moet worden begrepen dan zij volgens haar duidelijke bewoordingen luidt. Evenmin kan uit de door appellant alsnog overgelegde gespreksverslagen worden afgeleid dat de instructies over de invulling van de BVOM-staten ten tijde hier van belang al waren aangescherpt.

4.2.3. Op dit punt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant niet bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen. Het hoger beroep treft in zoverre geen doel.

4.3. Wel terecht is de beroepsgrond van appellant dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over de andere gedragingen die aan betrokkene als plichtsverzuim ten laste zijn gelegd. De vraag is dus of deze overige verwijten de berisping kunnen dragen.

4.3.1. In zijn tegenover het BIV afgelegde verklaring heeft betrokkene erkend dat hij af en toe een ander soort dienstvoertuig heeft meegenomen dan hem was opgedragen. Dit is in ieder geval nog één keer gebeurd na het op 30 september 2008 gehouden "gele-kaart-gesprek", waarin hem duidelijk is gemaakt dat dit eigenmachtig optreden niet langer zou worden geduld. Ter zitting is gebleken dat betrokkene inziet dat hij al was het ook uit enthousiasme onjuist heeft gehandeld en dat daarvoor een berisping gerechtvaardigd is. Verder komt uit zijn verklaring tegenover het BIV naar voren dat hij bij herhaling, zonder voorafgaand overleg met hogergeplaatsten, controles heeft uitgevoerd in afwijking van de planning volgens het dienstrooster. Het mag zo zijn dat betrokkene daarmee heeft willen inspelen op de actuele situatie ter plaatse, maar uit de gevoerde gesprekken met zijn leidinggevenden had hij kunnen en moeten begrijpen dat ook dit eigenmachtig gedrag niet langer van hem werd geaccepteerd.

4.3.2. De onder 4.3.1 omschreven gedragingen leveren plichtsverzuim op in de zin van artikel 76 van het Barp. Gesteld noch gebleken is dat zij betrokkene niet of slechts verminderd kunnen worden toegerekend. De disciplinaire straf van schriftelijke berisping de lichtste straf die het Barp kent is voor deze feiten niet onevenredig. Dit laatste geldt eens te minder nu betrokkene een gewaarschuwd man was. Ongeacht de verder aan betrokkene gemaakte verwijten, houdt het bestreden besluit reeds hierom in rechte stand.

4.4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot

HD