Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12-1660 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen procesbelang. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1660 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 februari 2012, 11/992 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Vriend.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 2 september 2002 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het college de bijstand van appellant per die datum opgeschort, omdat appellant geen gehoor had gegeven aan de uitnodiging van 5 maart 2008 om op 26 maart 2008 te verschijnen voor een gesprek in verband met een periodiek rechtmatigheidsonderzoek. Appellant heeft daartegen bij brief van 9 mei 2008 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij brief van 26 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op zijn in 1.2 genoemde bezwaarschrift. Dit bezwaar is bij besluit van 7 maart 2011 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een beslissing over de vergoeding van griffierecht, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 26 maart 2008 herroepen op de grond dat het college ter zitting van de rechtbank te kennen heeft gegeven het besluit van 26 maart 2008 niet meer te handhaven. Het verzoek van appellant om een veroordeling tot vergoeding van schade is afgewezen, omdat van geleden schade als gevolg van het besluit op bezwaar of het uitblijven daarvan niet is gebleken.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft gesteld dat de rechtbank zijn beroep had moeten doorzenden naar de Raad vanwege de samenhang met een andere daar al aanhangige procedure. Hij heeft voorts - kort samengevat - onder meer aangevoerd dat zijn bezwaar niet onredelijk laat is ingediend en dat formeel geen rechtsgeldig besluit op zijn bezwaar is genomen. Er dient een correcte (volledige) inhoudelijke behandeling van zijn beroep te volgen en erkenning van alle nog openstaande nabetalingen en vorderingen. Volgens appellant is er een wettelijke basis voor het toekennen van schadevergoeding. Ook heeft hij erop gewezen dat onder de Algemene wet bestuursrecht (Awb) altijd al een dwangsomregeling mogelijk is geweest. De uitspraak is niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Appellant heeft aangevoerd dat alle in deze procedure genoemde griffierechten, onkostenvergoedingen, schadevergoedingen en vorderingen legitiem zijn en volledig dienen te worden voldaan en nabetaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het betoog van appellant dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ter behandeling had moeten doorzenden naar de Raad vanwege de samenhang met de destijds lopende hoger beroepsprocedure geregistreerd onder nummer 10/2676 WWB, wordt niet gevolgd. Er is geen sprake van samenhang omdat het geschil in die procedure, voor zover hier van belang, de brief van het college van 5 maart 2008 betrof en in het onderhavige geding het opschortingsbesluit van 26 maart 2008 onderwerp van geschil is.

4.2. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Het is vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juni 2009, LJN BJ0878, dat van voldoende procesbelang slechts sprake is indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.3. De rechtbank heeft het besluit van 26 maart 2008 tot opschorting van de bijstand van appellant, waartegen het bezwaar van appellant was gericht, herroepen, waarmee in rechte geheel aan het bezwaar van appellant is tegemoetgekomen. Het hoger beroep van appellant kan dan ook niet tot een voor hem gunstiger resultaat leiden ten aanzien van dit besluit, zodat hierin geen procesbelang is gelegen.

4.4. Voor zijn verzoek om de in het dictum van de aangevallen uitspraak neergelegde herroeping van het primaire besluit van 26 maart 2008 te vervangen door wat appellant aanduidt als het intrekkingsbesluit van 17 februari 2009, om zo ook met betrekking tot de brief van 5 maart 2008 tot een volledige afhandeling te komen, is geen plaats omdat hiermee buiten de omvang van dit geding wordt getreden, dat immers alleen ziet op het besluit van 26 maart 2008.

4.5. Volgens eveneens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 juli 2010, LJN BN3956, kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is echter vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.

4.6. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt in welke zin en tot welk bedrag hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 26 maart 2008 dan wel als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit op zijn daartegen gerichte bezwaar. Appellant is niet ter zitting verschenen om zijn hoger beroep nader toe te lichten. De in hoger beroep nog als voorbeeld naar voren gebrachte misgelopen loonderving is geen gevolg van dit besluit dan wel van het niet tijdig nemen van een besluit. Aan de gestelde schade kan dan ook evenmin een procesbelang worden ontleend.

4.7. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het bepalen van een dwangsom wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar. Artikel 8:72, zevende lid, van de Awb, waarnaar appellant in hoger beroep verwijst, ziet niet op de situatie die hier aan de orde is, omdat de rechtbank het college geen opdracht heeft gegeven alsnog een reƫel besluit te nemen.

4.8. Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M. Sahin

HD