Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12-406 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en er is geen reden om aan de juistheid van de uitkomst ervan te twijfelen, nu medische stukken die in een andere richting wijzen ontbreken. Het Uwv heeft terecht erop gewezen dat, zo al zou worden aangenomen dat de functie van productiemedewerker cleanroom in verband met de belasting bij staan voor appellant niet geschikt is, de schatting berust op een voldoende aantal andere passende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/406 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 december 2011, 11/3246 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, geantwoord op een vraag van de Raad en gereageerd op de door appellant ingezonden stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Appellant en mr. Kramer zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 20 maart 2010 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 26 november 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 26 november 2010 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts, die de hoorzitting heeft bijgewoond, appellant heeft onderzocht en informatie heeft verkregen van de behandelend neuroloog.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een zorgvuldige beoordeling door het Uwv, heeft het Uwv inzichtelijk gemotiveerd dat er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen en staat vast dat ook de functie van productiemedewerker pluimveeslachterij voor appellant geschikt is.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan zijn verwoord in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hij heeft daarbij gewezen op het Verzekeringsgeneeskundig protocol Aspecifieke lage rugpijn (Protocol) en de Standaard Verminderde arbeidsduur (Standaard). Hij heeft verder herhaald dat de functie van productiemedewerker pluimveeslachterij voor hem niet geschikt is in verband met de belasting bij torderen en gebogen of getordeerd actief zijn, en het persoonlijk risico bij staan op een smal plateau en een gladde vloer. De functie van productiemedewerker cleanroom is volgens appellant voor hem niet geschikt in verband met de belasting bij staan.

3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de in hoger beroep ingezonden rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken ingebracht die zijn stelling onderbouwen dat hij meer beperkingen heeft dan tot uitdrukking zijn gebracht in de FML van 25 oktober 2010. Hij wordt niet gevolgd in zijn opvatting dat het feit dat bij hem de diagnose “chronische lumbago zonder aanwijzingen voor radiculair syndroom” is gesteld en het feit dat hij een flinke dosis pijnstillers gebruikt, ertoe moeten leiden dat ook beperkingen gelden ten aanzien van koude en tocht, torderen, gebogen en/of getordeerd actief zijn, afwisseling van houding en werktijden. Het Protocol en de Standaard bieden een verzekeringsarts aanknopingspunten bij zijn beoordeling en zijn aldus tot op zekere hoogte richtinggevend, maar ze kunnen geen algemeen verbindende voorschriften waarvan de naleving kan worden afgedwongen. Niet is gebleken dat in het geval van appellant aan de te beoordelen aspecten, gelet op de bij onderzoek door de verzekeringsartsen en van de behandelaar verkregen gegevens, ten onrechte geen of onvoldoende aandacht is besteed. Het medisch onderzoek is zorgvuldig geweest en er is geen reden om aan de juistheid van de uitkomst ervan te twijfelen, nu medische stukken die in een andere richting wijzen ontbreken.

4.2. Uit de FML volgt dat appellant geen beperkingen heeft voor torderen, gebogen en/of getordeerd actief zijn en voor persoonlijk risico. Voor zover in de functie van productiemedewerker pluimveeslachterij sprake is van een belasting in verband met torderen en gebogen of getordeerd actief zijn of van een persoonlijk risico voortvloeiend uit de werkomgeving, is het oordeel dat die belasting van appellant kan worden gevergd. Het Uwv heeft terecht erop gewezen dat, zo al zou worden aangenomen dat de functie van productiemedewerker cleanroom in verband met de belasting bij staan voor appellant niet geschikt is, de schatting berust op een voldoende aantal andere passende functies.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het bestreden besluit van een toereikende motivering is voorzien.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Voor toewijzing van de door appellant gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente is bij deze uitkomst van de procedure geen ruimte.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak;

-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) G.J. van Gendt

JvC