Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
12-571 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag WAO-uitkering buiten behandeling gesteld. De door appellant uiteindelijk in bezwaar overgelegde - summiere - gegevens en bescheiden zijn ontoereikend om op basis daarvan het gestelde arbeidsongeschiktheidsgeval te kunnen beoordelen. De - ontbrekende - gegevens waarom het Uwv heeft verzocht zijn noodzakelijk om appellants aanvraag om een WAO-uitkering te kunnen beoordelen. Er zijn geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat appellant niet redelijkerwijs tijdig over de gevraagde aanvullende informatie de beschikking heeft kunnen krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/571 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011, 11/1275 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 juni 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 15 februari 2012, 5 maart 2012, 5 april 2012 en 19 februari 2013 heeft appellant zijn standpunt nader uiteengezet en de gronden van zijn hoger beroep nader aangevuld.

Het Uwv heeft naar aanleiding van beide laatstgenoemde brieven een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013. Beide partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2011 (bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 13 augustus 2010, waarbij het Uwv met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) buiten behandeling heeft gesteld.

1.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats het wettelijk kader als volgt aangegeven.

1.3. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

1.4. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken.

1.5. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv appellant - met betrekking tot door deze in juli 2010 vanuit Marokko gedane aanvraag om een WAO-uitkering - in de gelegenheid heeft gesteld om zijn aanvraag aan te vullen, omdat in de verzekerdenadministratie van het Uwv in de afgelopen vijf jaar geen verzekeringstijdvakken bekend zijn, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat de door het Uwv gevraagde informatie noodzakelijk is om op de aanvraag te kunnen beslissen.

1.6. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet binnen de gestelde termijn heeft gereageerd en eerst in bezwaar enkele documenten heeft toegestuurd, waaronder een brief van het voormalig GUO waaruit blijkt dat appellant op en na 26 januari 1993 niet meer arbeidsongeschikt is, en meerdere medische verklaringen.

1.7. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van het GUO niets zegt over de periode na 26 januari 1993 en dat uit de medische verklaringen en de overige documenten die appellant heeft toegestuurd niets blijkt over de eerste verzuimdag en de voortgang van de gestelde ziekte. De door appellant overgelegde documenten zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende voor de beoordeling van zijn aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank bestond voorts voor het Uwv niet de noodzaak een lichamelijk onderzoek te verrichten, omdat daarvoor geen aanleiding bestond.

1.8. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om de aanvraag om een WAO-uitkering met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te laten en waren er geen redenen waarom het Uwv in dit geval in redelijkheid niet van die bevoegdheid gebruik zou mogen maken. Daarbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat appellant niet tijdig over de gevraagde informatie heeft kunnen beschikken.

2. In hoger beroep, dat geacht moet worden uitsluitend te zijn gericht tegen de ongegrondverlaring door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit, heeft appellant bij de verschillende door hem ingediende beroepschriften en nader ingezonden brieven benadrukt dat hij destijds in 1993, na in Nederland te hebben gewerkt in de tuinbouw, ziek is geworden, dat hij sindsdien ziek is gebleven en dat zijn gezondheid steeds verder achteruit gaat. Appellant heeft zijn bereidheid uitgesproken mee te werken aan een nader onderzoek door het Uwv.

3.1. De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld. In het bijzonder wordt onderschreven het oordeel van de rechtbank dat de door appellant uiteindelijk in bezwaar overgelegde - summiere - gegevens en bescheiden ontoereikend om op basis daarvan het gestelde arbeidsongeschiktheidsgeval te kunnen beoordelen, dat de - ontbrekende - gegevens waarom het Uwv heeft verzocht noodzakelijk zijn om appellants aanvraag om een WAO-uitkering te kunnen beoordelen en dat er geen aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat appellant niet redelijkerwijs tijdig over de gevraagde aanvullende informatie de beschikking heeft kunnen krijgen.

3.2. Terecht heeft de rechtbank het Uwv bevoegd geacht om de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet in behandeling te nemen en eveneens terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2, in essentie erop neerkomend dat hij vanaf 1993 doorlopend ziek en arbeidsongeschikt is en dat hij bereid is mee te werken aan een (medisch) onderzoek door het Uwv, bevat geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

3.4. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

QH