Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
11-5248 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om verhoging van de WAO-uitkering, aangezien de beperkingen niet zijn toegenomen. Er zijn geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze herbeoordeling en conclusies niet te volgen. Aldus met de rechtbank ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant niet onjuist zijn vastgesteld, bestaat in navolging van de rechtbank geen aanleiding om de bestreden weigering tot ophoging van de WAO-uitkering van appellant rechtens niet juist te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5248 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2011, 11/806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Suriname (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 juni 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 februari 2012 ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 mei 2013. Partijen zijn - het Uwv met kennisgeving - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 3 januari 1983 uitgevallen voor zijn werk als medewerker bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats]. Na herbeoordeling is de aan hem per einde wachttijd toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 maart 1997 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij uitspraak van 17 juli 1997 (96/10809/40) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen het betreffende herzieningsbesluit van 15 februari 1997 ongegrond verklaard. Elkaar hierna opvolgende verzoeken van appellant om herziening van zijn uitkering in verband met toegenomen klachten zijn afgewezen en de betreffende besluiten zijn na daartegen ingesteld beroep gehandhaafd.

1.2. In een brief van 28 december 2009 heeft appellant andermaal een verzoek tot ophoging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering gedaan wegens verslechtering van zijn gezondheid vanaf 2007.

1.3. Na medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2010 de aanvraag van appellant om verhoging van de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2007 afgewezen onder overweging dat zijn beperkingen met ingang van die datum niet zijn toegenomen.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 10 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2010, onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 december 2010 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 5 januari 2011, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant alleen medische gronden heeft aangevoerd en dat het Uwv ten aanzien van de medische beoordeling zorgvuldig heeft gehandeld. De verzekeringsarts heeft dossiergegevens geraadpleegd en informatie van de orthopeed bij de beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft het oordeel van de verzekeringsarts kritisch bekeken en hierover, waar daartoe aanleiding bestond, nadere vragen gesteld. Ten voordele van appellant heeft de bezwaarverzekeringsarts de primaire verzekeringsarts gevolgd in het standpunt dat er extra beperkingen zijn. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op basis van de medische rapportage de mate van arbeidsongeschiktheid onderzocht en in dat kader overleg gepleegd met de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die tot het oordeel moet leiden dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2007, in die zin dat - met inachtneming van artikel 37, tweede lid, van de WAO - de uitkering zou moeten worden herzien. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor raadpleging van een onafhankelijke deskundige.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn beperkingen zijn toegenomen en dat het Uwv geen onafhankelijk onderzoek heeft ingesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft appellant aangevoerd dat met name zijn rugklachten zijn toegenomen. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij enkele röntgenfoto’s ingezonden. Opnieuw heeft appellant verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv op juiste gronden het verzoek van appellant om herziening van zijn uitkering heeft afgewezen. Eveneens terecht heeft

de rechtbank geen aanleiding gezien voor raadpleging van een onafhankelijke deskundige.

4.2. Ten aanzien van de in hoger beroep ingezonden stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nadere reactie van 9 februari 2012 ingezonden. Het was bekend dat appellant rugklachten had en daarom is hij door een orthopeed onderzocht. Bij het invullen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is vervolgens rekening gehouden met een verminderde belastbaarheid van de rug. Röntgenfoto’s - of deze nu wel of niet afwijkingen tonen - correleren volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet met de ernst van eventueel aangegeven beperkingen of klachten. Voorts is niet duidelijk of de foto’s zien op de datum in geding. Er is geen aanleiding de FML nader bij te stellen.

4.3. Er zijn geen aanknopingspunten om de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze herbeoordeling en conclusies niet te volgen. Aldus met de rechtbank ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant ten tijde van belang niet onjuist zijn vastgesteld, bestaat in navolging van de rechtbank geen aanleiding om de bestreden weigering tot ophoging van de WAO-uitkering van appellant rechtens niet juist te achten.

4.4. Het hoger beroep treft geen doel.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

QH