Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-6366 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering IVA-uitkering. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op overtuigende en navolgbare wijze uiteengezet dat het in het kader van de IVA gaat om kansen die een betrokkene heeft om te verbeteren. De bezwaarverzekeringsarts heeft herhaald dat in het geval van appellante prognostisch gunstige factoren zijn dat het appellantes eerste depressie is, zij nog jong is en dat zij voorheen goed heeft gefunctioneerd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts geldt bovendien dat nog niet alle effectief bewezen behandelmogelijkheden zijn geprobeerd, zoals EMDR therapie, cognitieve gedragstherapie en diverse medicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6366 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 oktober 2011, 11/2510 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 12 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 mei 2013. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster bij de ABN-AMRO bank. Na de bevalling van haar eerste kind heeft zij zich met ingang van 30 september 2008 ziek gemeld vanwege klachten van depressiviteit, moeheid, duizeligheid en zwakte. Appellante heeft op 11 oktober 2010 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 13 april 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 januari 2011 gegrond verklaard en vastgesteld dat appellante volledig arbeidsongeschikt is en met ingang van 8 januari 2011 recht heeft op een loongerelateerde werkhervattingsuitkering voor gedeeltelijke arbeidsongeschikten

(WGA-uitkering) op grond van de Wet WIA. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 11 april 2011. Appellante heeft zich met die beslissing niet kunnen verenigen. Zij is van mening dat haar arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam is en dat zij op die grond in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

2. Met verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 4 februari 2009, LJN BH1896, heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 11 april 2011 en 8 september 2011 voldoende overtuigend heeft uiteengezet dat er op de datum hier in geding geen aanleiding was om duurzaamheid van appellantes arbeidsbeperkingen aan te nemen. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in voormelde rapporten afdoende onderbouwd dat er in de situatie van appellante sprake was van reële behandelmogelijkheden met een reële herstelverwachting, zodat - op termijn - mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zouden toenemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook op goede gronden besloten dat appellante op de datum in geding niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij op die grond in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Zij stelt zich op het standpunt dat duurzaamheid niet is uitgesloten bij iedere kans op verbetering. De 10% kans zoals genoemd door de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 8 september 2011 kan volgens appellante nooit als een redelijke of goede kans op verbetering worden gezien, omdat hij daarvoor te klein is. Volgens appellante spelen haar depressieve klachten bovendien niet sinds 2006, maar sinds 1999 na het overlijden van haar moeder. Vanwege haar gedwongen huwelijk in 2006 en de daaropvolgende (ernstige) huwelijksproblemen heeft zij nog meer depressieve klachten gekregen. Appellante heeft erop gewezen dat volgens haar behandelend psychiater op korte termijn geen herstel is te verwachten. Volgens appellante betekent dat in het beoordelingskader en de rechtspraak van deze Raad dat voor het niet aannemen van duurzaamheid wanneer dit is gebaseerd op een (ingezette) medische behandeling, een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Volgens appellante ontbreekt een dergelijke onderbouwing.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4 van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, LJN BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.3. Aan het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, ligt ten grondslag meergenoemd rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 11 april 2011. In dat rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat appellante nog onder behandeling is en dat zowel een depressieve stoornis als een Post Traumatische Stressstoornis (PTSS) behandelbare aandoeningen zijn, zodat niet kan worden gesproken van een eindtoestand. Verbetering op termijn is aldus niet uitgesloten te achten. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zou de verbetering het komende jaar al kunnen beginnen, alsook na twee jaar. Angstklachten (ook PTSS) kunnen volgens de bezwaarverzekeringsarts goed worden behandeld en er bestaat dan een goede prognose. Evenzeer prognostisch gunstig is volgens de bezwaarverzekeringsarts dat in het geval van appellante sprake is van een duidelijke aanleiding voor haar klachten, dat deze aanleiding inmiddels is weggenomen en dat het voor appellante de eerste keer is dat zij een depressie en een PTSS doormaakt. In dit kader heeft de bezwaarverzekeringsarts verwezen naar de betreffende protocollen van de Gezondheidsraad en geconcludeerd dat niet kan worden uitgegaan van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid.

4.4. In zijn reactie van 8 september 2011 op de brief van 29 juni 2011 van de behandelend psychiater alsmede in de reactie van 9 december 2011 op hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de bezwaarverzekeringsarts op overtuigende en navolgbare wijze uiteengezet dat het in het kader van de IVA gaat om kansen die een betrokkene heeft om te verbeteren. Het gaat dus niet om de vraag of iemand herstelt, maar om de vraag of iemand nog kan herstellen. Indien er 10% kans bestaat om te herstellen dan kan in het kader van de IVA geen sprake zijn van duurzame arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat alleen bij ziektebeelden waarbij herstel niet mogelijk is of alleen verslechtering mogelijk is, sprake kan zijn van duurzame arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft herhaald dat in het geval van appellante prognostisch gunstige factoren zijn dat het appellantes eerste depressie is, zij nog jong is en dat zij voorheen goed heeft gefunctioneerd. Volgens de bezwaarverzekeringsarts geldt bovendien dat nog niet alle effectief bewezen behandelmogelijkheden zijn geprobeerd, zoals EMDR therapie, cognitieve gedragstherapie en diverse medicatie. Voorst kan ook nog elektroshocktherapie worden overwogen. Inzake het standpunt van appellante dat zij al sedert 1999 depressief zou zijn, heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat appellante nadien gewoon heeft gefunctioneerd en zich pas later per 30 september 2008 heeft ziek gemeld. Tot slot heeft de bezwaarverzekeringsarts nog vermeld dat het door de behandelend psychiater beschreven beloop erop duidt dat herstel van appellante zeker nog tot de mogelijkheden behoort.

4.5. De in 4.4 weergegeven motivering voldoet aan de criteria zoals die zijn neergelegd in het in 4.2 geformuleerde toetsingskader. Gelet hierop slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

QH