Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-5411 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet meer woonachtig op het opgegeven adres. Het voeren van een procedure ter ontruiming van de woning, noch het voeren van verweer in die procedure vormen feitelijke omstandigheden waaruit het hebben van hoofdverblijf op het adres kan worden afgeleid. Dat de woning niet of niet geheel leeg was, dwingt evenmin tot de conclusie dat appellante op het adres woonde. Daarnaast heeft appellante in hoger beroep aangegeven dat zij in februari 2010 gedurende een periode in beperkte mate in haar woning heeft verbleven, omdat zij door haar ex-man werd bedreigd. Hiermee is echter niet gegeven dat zij de woning na 23 april 2010 weer heeft betrokken en daar is blijven wonen tot en met 28 augustus 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5411 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

2 augustus 2011, 11/324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak 12 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Namens appellante is

mr. Hoogendoorn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C. van den Bergh.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een schikking te komen. Een schikking is niet tot stand gekomen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 20 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hoogendoorn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand vanaf 19 juni 2007, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Sinds 1 april 2009 heeft appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] te [woonplaats] (adres). Zij huurde een woning van woningcorporatie Portaal. Met ingang van 9 augustus 2010 is zij uitgeschreven uit de GBA met bestemming onbekend.

1.2. Bij besluit van 27 augustus 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2011 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 31 mei 2010 tot en met 27 augustus 2010 ingetrokken, per 28 augustus 2010 beëindigd en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 31 mei 2010 tot en met 31 juli 2010 ten bedrage van

€ 2.111,46 van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante in ieder geval vanaf 31 mei 2010, de datum waarop het huurcontract van haar woning op het adres is opgezegd, niet meer woont op het adres. Het college baseert dit op de informatie verkregen van Portaal, zijn eigen beëindigingsonderzoek en het ontruimingsvonnis. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt waar zij na 31 mei 2010 heeft gewoond, zodat het recht op bijstand vanaf 31 mei 2010 niet langer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het betreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de door het college aangevoerde omstandigheden samen voldoende zijn om de conclusie te dragen dat appellante in ieder geval vanaf 31 mei 2010 niet meer verbleef op het adres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante onvoldoende ingebracht om aan die conclusie te twijfelen.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft hierbij aangevoerd dat zij de woning niet per 31 mei 2010 heeft verlaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De te beoordelen periode loopt van 31 mei 2010, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 28 augustus 2010.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. Het besluit tot intrekking en beëindiging van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.1. Appellante heeft erkend dat zij haar woning in februari 2010 voor enkele maanden heeft verlaten. Op 23 april 2010 is op het adres een hennepplantage aangetroffen. Op 3 mei 2010 heeft appellante op voorstel van Portaal de huur van de woning per 31 mei 2010 opgezegd. Portaal heeft op 19 mei 2010 in aanwezigheid van appellante een beëindigingsinspectie op het adres uitgevoerd. Uit het daarvan opgemaakte verslag, dat appellante heeft ondertekend, blijkt dat op dat moment voorzieningen ten behoeve van de hennepplantage nog niet waren verwijderd en dat de woning niet was aangesloten op gas en elektriciteit.

4.4.2. Portaal heeft appellante in kort geding gedagvaard en de ontruiming van de woning gevorderd. Tijdens de zitting van de voorzieningenrechter op 21 juni 2010 heeft appellante verklaard dat zij van de hennepplantage pas kennis kreeg toen zij wilde terugkeren naar de woning. Appellante is veroordeeld tot ontruiming. Dit vonnis is haar op 15 juli 2010 betekend.

4.4.3. Op 9 september 2010 heeft appellante een aanvraag om bijstand gedaan. Daarbij heeft zij verklaard dat zij vanaf februari 2010 bij haar moeder heeft gewoond.

4.4.4. In een schriftelijke, door haar ondertekende verklaring van 6 december 2010, stelt appellante dat zij in februari 2010 haar woning op het adres slechts enkele dagen heeft verlaten en daarna is teruggekeerd.

4.5. Op grond van de onder 4.4 vermelde gegevens is aannemelijk dat appellante in ieder geval van februari 2010 tot 24 april 2010 niet op het adres heeft gewoond. Het college heeft op grond van de onder 4.4 genoemde gegevens ook terecht aannemelijk geacht dat appellante met haar kind na 24 april 2010 niet weer is gaan wonen op het adres. Appellante heeft dat wel gesteld, maar niet gesteld dat gas en elektriciteit weer waren aangesloten, terwijl uit het verslag van de inspectie blijkt dat de woning op 19 mei 2010 nog niet voor gewone bewoning hersteld was. Appellante heeft bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd, hetgeen haar stelling dat zij in de te beoordelen periode op het adres woonde verder ondermijnt.

4.6. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw gewezen op het feit dat de woningbouwvereniging na de datum van beëindiging van het huurcontract per 31 mei 2010, een kort gedingprocedure ter ontruiming van de woning heeft gestart. Hieruit blijkt dat de woning per einde huurcontract niet leeg was.

4.7. Het hebben van hoofdverblijf moet worden vastgesteld aan de hand van de in 4.2 genoemde criteria. Het voeren van een procedure ter ontruiming van de woning, noch het voeren van verweer in die procedure vormen feitelijke omstandigheden waaruit het hebben van hoofdverblijf op het adres kan worden afgeleid. Dat de woning niet of niet geheel leeg was, dwingt evenmin tot de conclusie dat appellante op het adres woonde. Het betoog van appellante faalt in zoverre.

4.8. Daarnaast heeft appellante in hoger beroep aangegeven dat zij in februari 2010 gedurende een periode in beperkte mate in haar woning heeft verbleven, omdat zij door haar ex-man werd bedreigd. Hiermee is echter niet gegeven dat zij de woning na 23 april 2010 weer heeft betrokken en daar is blijven wonen tot en met 28 augustus 2010.

4.9. Dit leidt tot de conclusie dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante haar inlichtingenverplichting over haar woonsituatie in de te beoordelen periode heeft geschonden. Ten gevolge hiervan kan het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.

4.10. Uit 4.9 volgt dat het college bevoegd is de verleende bijstand over de te beoordelen periode in te trekken en te beëindigen met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Voorts is het college met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van

31 mei 2010 tot en met 31 juli 2010 van appellante terug te vorderen.

4.11. Tegen de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking, respectievelijk terugvordering, gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden ingediend, zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

4.12. Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD