Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12-48 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandaanvraag terecht afgewezen. Geen terugwijzing naar de rechtbank. Schending inlichtingenverplichting door onvoldoende informatie te verstrekken over de financiële situatie voorafgaand aan en tijdens de te beoordelen periode. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/48 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

23 november 2011, 11/4689 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak 12 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.B. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, als opvolgende gemachtigde een aanvullend beroepschrift ingediend, waarop het college heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 5 november 2010 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Het college heeft appellant bij brieven van 9 en 24 november 2010 verzocht informatie te verstrekken over onder meer een op zijn bankrekening gestort bedrag van € 15.574,95, een geldopname van € 15.000,-- en een geldlening van € 9.000,--. In antwoord hierop heeft appellant informatie verschaft.

1.3. Bij besluit van 17 januari 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 20 april 2011 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2011 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt over de besteding van in ieder geval een bedrag van € 15.574,95 om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij is van mening dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep heeft appellant de Raad verzocht het geding terug te verwijzen naar de rechtbank omdat hij vanwege ziekte niet in staat was de zitting van de rechtbank bij te wonen en zijn verzoek om uitstel van die zitting door de rechtbank is afgewezen. Nu het beroep door de toenmalige gemachtigde van appellant, mr. R.B. van Heijningen, advocaat, voor hem was ingediend, en deze niet verhinderd was voor hem op te treden, mocht de rechtbank het verzoek om uitstel afwijzen. Daarom leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en bestaat voor een terugverwijzing naar de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 24 en 26 van de Beroepswet, geen mogelijkheid.

4.2. De in dit geding te beoordelen periode loopt van 5 november 2010 tot en met 17 januari 2011.

4.3. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Het bijstandverlenend orgaan is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie in de periode die voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4. Appellant stelt dat hij heeft aangetoond dat hij ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Hij had geen inkomen of vermogen boven de vermogensgrens. Hij had vele en hoge schulden. Hij leende geld van zijn vrienden en familie om in zijn levensonderhoud te voorzien en om eerder gemaakte schulden af te lossen. Het bedrag van € 15.574,95 betrof een door de verzekering uitgekeerde schadevergoeding omdat zijn inboedel was gestolen. Dit geld heeft hij grotendeels gebruikt om een persoonlijke lening van € 9000,-- af te lossen.

4.5. Vaststaat dat op de bankrekening van appellant op 22 september 2009 een bedrag van € 15.574,95 is bijgeschreven, in opdracht van ASR Schadeverzekering N.V. (ASR). Op het betreffende bankafschrift wordt verwezen naar een brief van ASR van 21 september 2010 (brief). Appellant heeft de brief, ondanks herhaalde verzoeken van het college daartoe, niet overgelegd. De brief is nodig voor het vaststellen van het recht op bijstand. Aannemelijk is dat uit de inhoud van de brief de grond kan worden vastgesteld waarop ASR voormeld bedrag heeft uitbetaald. De grond van uitbetaling is van belang voor de beoordeling of het bedrag al dan niet tot het vermogen van appellant moet worden gerekend. Het college hanteert immers het beleid dat, in afwijking van artikel 31 van de WWB, bij de vaststelling van het vermogen geen rekening wordt gehouden met een doeluitkering, waaronder in de regel een uitbetaling van geleden boedelschade. Appellant heeft echter niet met verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelt, schade heeft geleden als gevolg van diefstal van zijn inboedel en dat het bedrag van € 15.574,95 strekt tot vergoeding van die schade. Voor zover appellant niet meer over de brief of stukken over de schade beschikte, zoals hij heeft aangevoerd, komt dit voor zijn risico.

4.6. Vaststaat ook dat appellant op 29 september 2010 een bedrag van € 15.000,-- van zijn bankrekening in contanten heeft opgenomen. Appellant heeft, anders dan waarom het college heeft verzocht, niet met behulp van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat, en zo ja, waaraan hij dat bedrag heeft besteed. Appellant heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. In hoger beroep heeft hij aangevoerd dat hij van dat bedrag € 9.500,-- heeft gebruikt voor het aflossen van een geldlening van € 9.000,--. Dit volgt volgens appellant uit de door hem overgelegde schriftelijke overeenkomst van geldlening van 17 september 2010 en de kwitantie van aflossing van de geldlening van 30 oktober 2010. Deze zijn door

[d. V.] en/of appellant opgemaakt en ondertekend. Aan deze stukken kan echter niet de betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien. Deze stukken zijn niet objectief en verifieerbaar. Hieruit blijkt niet dat de gestelde lening aan appellant reeds bestond en dat de terugbetaling door appellant - kennelijk met contant geld - daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Over de besteding van het resterende bedrag van € 6.074,95 heeft appellant in zijn hoger beroepschrift aangevoerd dat hij het heeft gebruikt in verband met de inboedelschade. Ter zitting van de Raad heeft hij aangevoerd dat hij het geld heeft uitgegeven aan een kinderkamer voor zijn kleindochter, lopende rekeningen, levensonderhoud en schulden. Appellant heeft ook dit standpunt niet met verifieerbare stukken, als bijvoorbeeld aankoopnota’s, onderbouwd. Appellant heeft wel een zelf opgesteld overzicht van schulden tot een totaalbedrag van € 13.537,44 overgelegd en brieven van deurwaarderskantoren waaruit het bestaan van schulden blijkt. Met deze brieven, die dateren van na de te beoordelen periode, is niet aannemelijk gemaakt dat appellant, zoals hij stelt, een deel van het bedrag van € 15.000,-- heeft gebruikt voor het aflossen van schulden.

4.7. Uit 4.5 en 4.6 volgt dat appellant de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende informatie te verstrekken over zijn financiële situatie voorafgaand aan en tijdens de te beoordelen periode. Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld, heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen.

4.8. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn schulden en dat het college had kunnen volstaan met het opleggen van een maatregel, indien het van mening zou zijn dat sprake is geweest van een onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Deze gronden behoeven, gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen, geen bespreking.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

HD