Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-6847 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand wegens detentie. Vaststaat dat de detentie van appellant langer dan zes maanden heeft geduurd. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het beleid. Dat beleid gaat immers uit van de periode van detentie en niet van de periode waarover bijstand wordt gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6847 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

13 oktober 2011, 11/2160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak 12 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C.M. Schaeken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Voor appellant is mr. Schaeken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 16 december 2010 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor zijn vaste lasten omdat hij geen inkomen had in verband met detentie. Appellant was gedetineerd vanaf 11 januari 2010 en de detentie zou voortduren tot 8 april 2011. De huur is gedurende die periode aanvankelijk voldaan door de toenmalige echtgenote van appellant en na haar vertrek uit deze woning door zijn ouders.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet in aanmerking kon komen voor bijzondere bijstand omdat hij rechtens van zijn vrijheid was beroofd. Ook volgens het beleid van het college kwam appellant niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, aangezien zijn detentie langer duurde dan zes maanden.

1.3. Bij besluit van 27 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht heeft op bijstand.

4.2. In geschil is uitsluitend of het van deze bepaling afwijkende beleid van het college in het geval van appellant zou moeten leiden tot verlening van bijzondere bijstand. Dit beleid houdt in dat onder voorwaarden bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de betaling van vaste lasten gedurende detentie. Eén van de voorwaarden is dat de periode van detentie niet langer mag zijn dan zes maanden. Dit beleid moet, gelet op het bepaalde in artikel 13 van de WWB, worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Zie de uitspraak van de Raad van 20 september 2011, LJN BT2086.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij weliswaar langer dan zes maanden gedetineerd was, maar dat zijn verzoek om bijstand ziet op een periode van ruim vier maanden. Volgens appellant staat de voorwaarde dat de periode van detentie niet langer mag zijn dan zes maanden in zijn geval dan ook niet in de weg aan verlening van bijstand. Indien de uitleg van het college wordt gevolgd, leidt dit tot ongelijkheid tussen belanghebbenden die zes maanden of korter gedetineerd zijn en anderen die een langere vrijheidsstraf ondergaan.

4.4. Vaststaat dat de detentie van appellant langer dan zes maanden heeft geduurd. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het beleid. Dat beleid gaat immers uit van de periode van detentie en niet van de periode waarover bijstand wordt gevraagd. Aldus is het beleid consistent toegepast. De vraag of het geval van appellant niet zozeer lijkt op personen met een detentie korter dan zes maanden, dat ook aan hem bijzondere bijstand voor vaste lasten moet worden verleend, ligt buiten de toetsing van consistente uitvoering van het beleid en kan dus gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, in dit geding niet aan de orde komen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

HD