Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-6703 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6703 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

12 oktober 2011, 11/1059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak 12 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013. Appellant is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving met onderbrekingen een bijstandsuitkering. Bij besluit van 12 december 2002 heeft het college de bijstand ingetrokken. Uit Suwinet blijkt niet van een dienstverband of een uitkering sedert 2002. Op 27 september 2010 heeft appellant een aanvraag gedaan om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In het kader van deze aanvraag heeft het college appellant bij brieven van 5 oktober 2010 en 21 oktober 2010 verzocht om nadere gegevens. Dit verzoek is, voor zover hier van belang, als volgt gespecificeerd:

“(..)

- Deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken** waaruit blijkt hoe u in uw levensonderhoud heeft voorzien vanaf 1 januari 2010 tot heden. U dient de herkomst van het geld aan te tonen.

** Onder deugdelijke bewijsstukken voorstaan (lees: verstaan) wij bewijzen zoals; bankafschriften en aktes van geldleningen. In ieder geval dient u aannemelijk te maken van wie u eventueel geld heeft ontvangen. Ook dient u voldoende aannemelijk te maken dat de desbetreffende persoon u daadwerkelijk dit geld heeft verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld door een bankafschrift van deze persoon te tonen waaruit een geldopname of overschrijving ten behoeve van u blijkt.”

Appellant heeft op 25 oktober 2010 stukken ingediend, waaronder een uittreksel van de Kamer van Koophandel, met daarop de aantekening dat de activiteiten van zijn eenmanszaak per 25 oktober 2010 zijn gestaakt, en afschriften van zijn bankrekening. In vervolg hierop heeft het college nogmaals verzocht om bewijsstukken van de wijze waarop appellant in zijn levensonderhoud had voorzien.

1.2. Bij besluit van 8 november 2010 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant de gevraagde stukken niet had verstrekt.

1.3. Bij besluit van 4 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2010 gegrond verklaard in die zin dat dit besluit is herroepen en de aanvraag is afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat van appellant verlangd mocht worden dat hij inzicht gaf in zijn financiële situatie en dat hij daarin niet is geslaagd. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij alle inlichtingen heeft verstrekt waar het college om verzocht. Uit de bankafschriften blijkt de storting van kleine bedragen die appellant ontving van zijn kinderen en verdere familieleden en kennissen. Aangezien appellant steeds bij familie en vrienden at en daarvoor niet hoefde te betalen, beschikt hij niet over kwitanties. Deze situatie kon niet voortduren omdat het de familie slechter ging. Verder heeft appellant zich erop beroepen dat hij een aanzienlijke schuld heeft vanwege een oude strafzaak en dat hij lichamelijke en geestelijke problemen heeft waardoor hij geen arbeid kan verrichten. Hij is voorts nagenoeg analfabeet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het eerste inhoudelijke besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 7 september 2010 tot en met 4 maart 2011 (te beoordelen periode). In geschil is of appellant voldoende inlichtingen heeft verstrekt over de wijze waarop hij vanaf 1 januari 2010 in zijn onderhoud heeft voorzien.

4.2. In geval van een aanvraag dient de aanvrager aannemelijk te maken dat hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden en daartoe de nodige inlichtingen te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, hetzij omdat hij geen of onvoldoende inlichtingen heeft verschaft, hetzij omdat hij onjuiste inlichtingen heeft verschaft, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 januari 2011, LJN BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4. Het feit dat appellant tot eind 2002 bijstand heeft ontvangen en vervolgens tot september 2010 geen beroep op bijstand heeft gedaan, terwijl bij het college ook geen andere inkomsten bekend waren, roept de vraag op hoe appellant in de tussenliggende periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het antwoord op die vraag is van belang voor de beoordeling of hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant in januari 2010 € 500,-- en in maart 2010 € 300,-- contant heeft gestort op eigen rekening en voorts vanaf januari 2010 op die rekening slechts zorgtoeslag heeft ontvangen. Appellant heeft alleen gesteld dat hij at bij familieleden en dat zij hem geld gaven voor andere levensbehoeften. Hij heeft dit niet onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van zijn familieleden. Appellant is ook niet verschenen op de hoorzitting om zijn situatie toe te lichten. Van appellant had verwacht mogen worden dat hij meer informatie verstrekte, zodat het college enig aanknopingspunt had om zijn verklaring te verifiëren. Voor zover het voor appellant, ondanks de onder 1.1 genoemde brieven, niet duidelijk was welke gegevens hij moest verstrekken, had het op zijn weg gelegen om naar aanleiding van het herhaalde verzoek om bewijsstukken bij het college om een toelichting te vragen. De door appellant genoemde omstandigheid dat zijn familieleden niet bereid zijn iets op papier te zetten, komt voor zijn risico. Appellant is door zijn handelwijze de op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende nagekomen. Als gevolg hiervan kon niet worden vastgesteld of appellant in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.5. Ook de overige, door appellant naar voren gebrachte, omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel nu zijn bijstandbehoevendheid niet kan worden vastgesteld.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) V.C. Hartkamp

HD