Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
11-4474 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. (Mede)terugvordering. 1) Gezamenlijke huishouding. De omstandigheid dat de buurtbewoners van het uitkeringsadres betrokkene regelmatig hebben gezien is, gelet op het feit dat zij daar haar schoonheidssalon had aannemelijk, maar dit is ontoereikend voor de conclusie dat zij haar hoofdverblijf had op dat adres. Geen deugdelijke grondslag. 2) Handel in kralen(kettingen). Schending inlichtingenverplichting. Toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant zich heeft beziggehouden met het vervaardigen van en handelen in kralen(kettingen) en dat de in dat kader ondernomen activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft van zijn activiteiten ten aanzien van kralenkettingen en inkomsten geen administratie of boekhouding bijgehouden. Door dit na te laten heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand geheel voor zijn rekening dienen te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/330 met annotatie van R. Ortlep
USZ 2013/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4474 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 juni 2011, 11/991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Lok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak met reg. nr. 12/3347 AOW, plaatsgevonden op 23 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door de opvolgende gemachtigde, mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.J. Massier. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving, met een onderbreking van 7 januari 2008 tot 29 september 2009 in verband met inkomsten uit arbeid, sinds 30 mei 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Appellant stond sinds 11 november 2005 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Hij huurt een kamer boven schoonheidssalon [schoonheidssalon]. De eigenaresse van de schoonheidssalon is [naam betrokkene] (betrokkene). Zij stond ten tijde hier van belang ingeschreven op het adres [adres 2] te [naam gemeente] (adres van betrokkene). Vanaf augustus 2009 verhuurt betrokkene haar woning aan de [adres 2]. Sinds die datum woont betrokkene op het uitkeringsadres.

1.2. Naar aanleiding van een via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) binnengekomen anonieme tip dat betrokkene al meer dan vijf jaar zou samenwonen met appellant, heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, hebben van 20 april 2010 tot 6 juli 2010 waarnemingen plaatsgevonden aan het uitkeringsadres, is bij diverse instanties informatie opgevraagd, is buurtonderzoek verricht bij het uitkeringsadres en bij het adres van betrokkene, zijn getuigen uit de omgeving van het uitkeringsadres en het adres van betrokkene gehoord en zijn appellant en betrokkene verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 oktober 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 oktober 2010 de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2006 in te trekken en de over de perioden van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008 en van 29 september 2009 tot en met 21 september 2010 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 24.904,94 bruto. Bij besluit van 14 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 21 oktober 2010 in die zin gegrond verklaard dat de bijstand wordt ingetrokken over de perioden van 1 augustus 2006 tot 7 januari 2008 en vanaf 29 september 2009. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij vanaf 1 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. Daarnaast heeft appellant inkomsten uit handel in kralen(kettingen) ontvangen waarvan hij het college geen mededeling heeft gedaan. Bij het hier niet aan de orde zijnde besluit van 1 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2011, heeft het college de gemaakte kosten van bijstand medeteruggevorderd van betrokkene.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd. Uit het enkele feit dat omwonenden appellant en betrokkene steeds samen hebben gezien kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het kwam wel eens voor dat appellante en betrokkene samen aten, maar dit was eerder uitzondering dan regel. Voorts betwist appellant te hebben gehandeld in kralen(kettingen). Daarvan was geen sprake, althans vond op een zeer beperkte schaal plaats. Er werd geen winst mee behaald, de activiteiten die verband hielden met kralen(kettingen) moeten slechts als een vorm van bezigheidstherapie worden gezien. Uit het bij het beroepschrift gevoegde overzicht van activiteiten blijkt dat de aan appellant verweten activiteit verwaarloosbaar was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de gezamenlijke huishouding

4.1. Ter beoordeling ligt voor de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008 en de periode van 29 september 2009 tot en met 21 oktober 2010.

4.2. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.5. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 18 oktober 2010, bieden geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 1 augustus 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene. Anders dan het college is de Raad van oordeel dat voor het vaststellen van het door appellant betwiste gezamenlijke hoofdverblijf vanaf 1 augustus 2006 geen betekenis toekomt aan de verklaringen van de buurtbewoners uit de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van betrokkene. De omwonenden van zowel het uitkeringsadres als het adres van betrokkene hebben verklaard dat zij meenden dat betrokkene en appellant een stel zijn, dat zij altijd samen zijn en dat zij samen op vakantie gaan. De verklaringen bevatten echter geen concrete waarnemingen en concrete feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat betrokkene vanaf 1 augustus 2006 feitelijk haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De omstandigheid dat de buurtbewoners van het uitkeringsadres betrokkene regelmatig hebben gezien is, gelet op het feit dat zij daar haar schoonheidssalon had aannemelijk, maar dit is ontoereikend voor de conclusie dat zij haar hoofdverblijf had op dat adres.

4.6. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche bieden wel voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant vanaf 1 augustus 2009 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met betrokkene op het uitkeringsadres. Tussen partijen is niet in geschil dat zij vanaf die datum hun hoofdverblijf hebben in de woning op het uitkeringsadres. In geschil is of sprake is van wederzijdse zorg tussen appellant en betrokkene.

4.7. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate aanwezig is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.8. Wat betreft het vereiste van wederzijdse zorg wordt verwezen naar de verklaringen van appellant en betrokkene waaruit blijkt dat betrokkene de administratie van appellant verzorgt, zijn was doet en voor appellant pint. Zij koken en eten gezamenlijk en zij gebruiken beiden alle ruimten in de woning en zij gebruikten over en weer elkaars auto. Appellant doet allerlei klusjes in huis zoals stofzuigen, afstoffen en ramen lappen, de auto’s wassen, de tuin onderhouden en het huis schilderen. Hieruit volgt dat aan het vereiste van wederzijdse zorg is voldaan.

4.9. De stelling van appellant dat hij als kamerhuurder dan wel als kostganger moet worden aangemerkt volgt de Raad niet. Appellant en betrokkene verkeerden ten tijde in geding in een situatie die duidt op een zodanige verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar, dat de grenzen van een zuiver commerciële huur- dan wel kostgangersrelatie worden overschreden.

4.10. Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat appellant uitsluitend vanaf 29 september 2009 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van

1 augustus 2006 tot en met 6 augustus 2008. Op grond van het navolgende bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten.

de handel in kralen(kettingen)

4.11. Op basis van de bevindingen uit voornoemd onderzoek heeft het college bij het bestreden besluit ook het standpunt ingenomen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij geen melding heeft gemaakt van handel in kralen(kettingen).

4.12. Het college heeft betoogd dat de gronden van appellant die zien op de kralen(kettingen) handel in hoger beroep niet meer aan de orde kunnen komen, omdat appellant op dat punt in beroep geen gronden heeft aangevoerd.

4.13. De Raad volgt het college hier in niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 13 februari 2009, LJN BH2837), is in de Awb, de Beroepswet, noch in de rechtspraak van de Raad grondslag te vinden voor een grondenfuik.

4.14. De onderzoeksresultaten bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant zich tijdens de in geding zijnde periodes heeft beziggehouden met het vervaardigen van en handelen in kralen(kettingen) en dat de in dat kader ondernomen activiteiten in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat hij sinds dat hij op het uitkeringsadres woont zich bezig houdt met het vervaardigen van kralen(kettingen). Hij is daar dagelijks mee bezig, de ene dag is dat vijf uur, de andere dag is dat tien uur. Hij koopt zijn kralen overal, via internet en bij tweedehands winkels. Hij verkoopt de door hem gemaakte kralen(kettingen) op straat. Hij gaat, sinds vier jaar, jaarlijks naar het Kwakkoe festival in Amsterdam om kettingen te verkopen. Hij doet dit altijd samen met betrokkene. Als hij ergens naar toe rijdt om kettingen te verkopen moet hij benzine kopen en eten. Betrokkene heeft een auto waar veel spullen in passen en dat is een diesel, dat is goedkoper. Met de inkoop en verkoop van de kralen(kettingen) speelt hij quitte, hij verdient er niets mee. De ene keer verkoopt hij meer dan de andere keer. Soms kan hij van een aantal tweedehands kettingen soms drie kettingen maken als hij er wat losse kralen bij doet. De inkoop bedraagt dan ongeveer € 10,-- en de verkoop € 30,--. In de zomer is hij, naar hij denkt, ieder weekend wel op pad om kettingen te verkopen.

Betrokkene heeft verklaard dat zij sinds een jaar of vier samen met appellant kettingen maakt die ze verkopen op markten. Zij kopen daar samen spullen voor in. De verklaringen van appellant en betrokkene worden ondersteund door de verklaringen van buurtbewoners van het uitkeringsadres die hebben verklaard dat appellant en betrokkene op markten en braderieën staan om kettingen en kralen te verkopen.

4.15. Voor zover appellant met zijn stelling dat zijn activiteiten moeten worden gezien als een vorm van bezigheidstherapie, heeft willen betogen dat hij om die reden van die activiteiten en daarmee verworven inkomsten geen melding hoefde te maken, slaagt dit betoog niet. Immers, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 20 april 2010, LJN BM3466), is het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten voor de WWB geen relevant onderscheid, omdat appellant opgave had moeten doen van al zijn inkomsten, ongeacht of het om bedrijfsmatig verrichte of bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten ging. Appellant had dit redelijkerwijs duidelijk kunnen - en ook moeten - zijn. Door van zijn activiteiten ten aanzien van kralen(kettingen) en de daaruit ontvangen inkomsten geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.16. Appellant heeft van zijn activiteiten ten aanzien van kralenkettingen en inkomsten geen administratie of boekhouding bijgehouden. Door dit na te laten heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand ten tijde hier in geding, geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Weliswaar heeft hij in hoger beroep een door betrokkene opgesteld overzicht van de in- en verkoop van kralen(kettingen) overgelegd, maar dit overzicht vindt geen steun in objectieve en te verifiëren gegevens waaruit de omvang van de activiteiten en de genoten inkomsten valt af te leiden.

4.17. Als gevolg van de schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft het college daarom niet kunnen vaststellen of en, zo ja, in welke mate appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit betreft, in ieder geval, de gehele periode van 1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008. Appellant heeft immers in zijn verklaring tegenover de sociaal rechercheurs gezegd dat hij, kort gezegd, kralen(kettingen) vervaardigt en verkoopt sinds hij op het uitkeringsadres woont.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Verder komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de Raad. Deze kosten worden begroot op € 28,20.

6. De Raad merkt ten slotte nog op dat gelet op het voorgaande, zoals het college ter zitting ook heeft toegezegd, het in 1.3 genoemde medeterugvorderingsbesluit van betrokkene nader zal worden bezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit

voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van

1 augustus 2006 tot en met 6 januari 2008;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.910,20.

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 152,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD