Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
11-4965 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van het besluit van 14 januari 2005. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4965 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 juli 2011, 11/701 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 17 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Van der Kleij. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1973, heeft vanaf 5 januari 1991 een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet wegens beperkte geestelijke vaardigheden en een gestoorde agressieregulatie. Die uitkering is van rechtswege voortgezet als uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In 1999 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld en is de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd vastgesteld op 80 tot 100% op arbeidskundige gronden.

1.2. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het Uwv de Wajong-uitkering per 2 december 2004 ingetrokken op de grond dat appellant met ingang van die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is in de zin van die wet. Dit besluit berust op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij de Functionele Mogelijkheden Lijst geen beperkingen laat zien die verband houden met psychische klachten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 december 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 januari 2005 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 29 november 2007, LJN BB9265, deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3. Op 5 juli 2009 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend wegens diverse lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 januari 2005. Bij besluit van 16 september 2010 is geweigerd terug te komen van het besluit van 14 januari 2005, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat die beslissing onjuist zou zijn. Dat standpunt heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Bakker van 17 februari 2011, bij besluit van 18 februari 2011 (bestreden besluit) gehandhaafd.

2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische klachten al sinds zijn jeugdjaren aanwezig waren en nadien steeds aanwezig zijn gebleven. Dat is duidelijk geworden in verband met een opname in een verslavingskliniek op 20 mei 2009. Achteraf bezien berustte het besluit van 1 oktober 2004, waarmee het Uwv de Wajong-uitkering heeft ingetrokken, volgens appellant op een feitelijk onjuiste grondslag. Appellant heeft voorts, onder verwijzing naar zijn inziens relevante rechtspraak van de Raad, gesteld dat hem een toereikend inzicht in de ernst en de gevolgen van zijn aandoening ontbrak ten tijde van het nemen van het besluit van 1 oktober 2004. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek stukken overgelegd die in de aangevallen uitspraak zijn opgesomd op bladzijde 3, tweede alinea. Daar zijn in het bijzonder de rapporten van Tactus Verslavingszorg en een bericht van zijn huisarts van 29 maart 2010 vermeld.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellant in bezwaar overgelegde medische stukken niet een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormen die het Uwv had moeten noodzaken terug te komen van het besluit van 14 januari 2005.

4. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan en welke in 2 zijn samengevat. Zij strekken ten betoge dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Terecht heeft de rechtbank het bestreden besluit getoetst aan het toetsingskader, vervat in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge deze bepaling is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

5.2. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv in de door appellant overgelegde stukken van medische aard terecht geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gezien als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Dergelijke feiten of omstandigheden moeten betrekking hebben op de datum met ingang waarvan de oorspronkelijk toegekende Wajong-uitkering is ingetrokken, 2 december 2004. Uit het rapport van Tactus Verslavingszorg van 13 november 2008 blijkt slechts dat appellant in de loop van de jaren na zijn 17e jaar een strafblad heeft opgebouwd met delicten als inbraak, handelen in harddrugs, bedreiging, mishandeling en het telen van hennep en dat hij, naar aannemelijk is in verband daarmee, in 2004 en 2005 een werkstraf met succes heeft afgerond. Verder is, zonder nadere specificatie naar jaar, vermeld dat appellant een fors cocaïnegebruik had. Uit de brief van 29 maart 2010 van appellants huisarts komen met betrekking tot de relevante datum geen ter zake doende gegevens naar voren. Dat destijds bij appellant geen ziekte-inzicht zou hebben bestaan, reden waarom hij niet heeft gemeld dat hij psychische klachten had, is - nog daargelaten welke betekenis daaraan in het kader van de onderhavige besluitvorming zou moeten toekomen - niet af te leiden uit de door hem overgelegde stukken.

5.3. Ook overigens kan het bestreden besluit de rechterlijke toetsing doorstaan.

5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en T. Hoogenboom en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

TM