Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11-5418 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om toekenning AAW- of WAO-uitkering. Niet gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals is bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5418 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 september 2011, 11/882 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Kolthof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kolthof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluiten van 15 februari 1982, 22 mei 1984 en 8 augustus 1995 geweigerd appellant ter zake van beweerdelijk op 1 november 1979 ingetreden arbeidsongeschiktheid in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De besluiten van 15 februari 1982, 22 mei 1984 en 8 augustus 1995 zijn in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 24 november 2008, beslissend op bezwaar, de herhaalde aanvraag van appellant om hem een AAW-uitkering dan wel een WAO-uitkering toe te kennen, afgewezen omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals is bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 december 2009, 09/58, het tegen het besluit van 24 november 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de door psychiater drs. P.M. Rood in zijn brief van 20 april 2006 verstrekte informatie, waaruit naar de mening van appellant blijkt van een eerdere ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid, niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid aangemerkt kan worden. De Raad heeft bij uitspraak van 27 augustus 2010, LJN BN5143, deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3. Bij schrijven van 26 oktober 2010 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van de besluiten van 15 februari 1982, 22 mei 1984 en 8 augustus 1995. Appellant heeft onder verwijzing naar de brieven van 5 september 2009 en 6 april 2010 van psychiater C.T.M. Manschot, bij wie hij sedert 2005 onder behandeling staat, gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid omstreeks 1976, op een moment dat hij aan de zogeheten inkomenseis voldeed, is ingetreden.

1.4. Bij besluit van 18 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, geweigerd terug te komen van zijn besluiten van 15 februari 1982, 22 mei 1984 en 8 augustus 1995 omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals is bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het bestreden besluit berust op een rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarin overwogen dat de in de brieven van 5 september 2009 en 6 april 2010 neergelegde informatie van psychiater Manschot geen nieuw medisch feit oplevert, omdat de inhoud daarvan niet wezenlijk anders is dan de informatie van psychiater Rood uit 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden herhaald. Appellant voert aan dat psychiater Manschot op basis van eigen psychiatrisch onderzoek, waarbij de medische situatie van appellant is beoordeeld, tot de conclusie is gekomen dat de aanvang van de stoornis bij appellant en zijn onvermogen om arbeid te verrichten niet in november 1979 begonnen kan zijn. Appellant betoogt dat psychiater Manschot uitgaande van de medische inzichten die hij vanaf 2005 heeft opgedaan tot de conclusie is gekomen dat er destijds in 1979 geen goede anamnese is afgenomen bij appellant en dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant destijds onjuist was. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv hem in verband met omstreeks 1976 ingetreden arbeidsongeschiktheid een AAW-uitkering dan wel WAO-uitkering dient toe te kennen.

4. De Raad komt tot een volgende beoordeling.

4.1. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. In zijn brieven van 5 september 2009 en 6 april 2010 heeft psychiater Manschot een andere waardering gegeven van onderliggende klachten bij appellant die destijds hebben voorgelegen bij de besluitvorming door de rechtsvoorganger van het Uwv. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 november 1979 gekoppeld aan de datum waarop appellant zich, volgens zijn toenmalige behandelaar bij de GGD, onder behandeling heeft gesteld voor zijn psychische klachten. De door psychiater Manschot in zijn brief van 5 september 2009 beschreven en meegewogen familieanamnese en psycho-sociale anamnese, waarin onder meer een traumatische gebeurtenis in 1976 wordt beschreven, kon destijds bekend worden geacht dan wel worden aangevoerd en bevat dus geen nieuw feit of veranderde omstandigheden.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

JvC