Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11-5488 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Appellant heeft in essentie in hoger beroep herhaald hetgeen hij in beroep reeds had aangevoerd. Nu hij daarbij geen nadere medische stukken heeft overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in de periode van januari 1980 tot juli 2004 sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken ziet de Raad geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5488 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van

10 augustus 2011, 11/881 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L.C. van der Hulst, algemeen secretaris van de ACOM, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam als jurist bij de ACOM. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Het Uwv heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd.

Op 24 april 2013 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groenhart. Het Uwv is niet verschenen .

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak het volgende overzicht van de feiten en omstandigheden: (waar appellant is aangeduid als eiser)

“Eiser, geboren op 4 juli 1960, is van 1 augustus 1979 tot 21 november 1979 als militair dienstplichtige uitgezonden naar Libanon. Hij acht zichzelf arbeidsongeschikt wegens een door die uitzending veroorzaakte posttraumatische stressstoornis (PTSS), waarbij hij van belang acht dat het bij de uitzending had ontbroken aan voorzorg, opvang en nazorg. Na terugkomst in Nederland en na beëindiging van zijn diensttijd per 9 januari 1980 heeft eiser zijn opleiding als assistent bedrijfsleider in een supermarkt hervat, heeft hij produktiewerk verricht en is hij jarenlang werkzaam geweest als internationaal vrachtwagenchauffeur. Eiser ontving sinds september 2001 uikering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 6 juli 2004 heeft hij zich als WW-uitkeringgerechtigde wegens psychische klachten ziek gemeld. De door eiser gevraagde uikering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) - die per 4 juli 2006 zou zijn ingegaan - is bij besluit van 15 september 2006 afgewezen., het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 juli 2007 ongegrond verklaard en het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 1 november 2007 (AWB 07/2959) niet-ontvankelijk verklaard. Op 10 november 2006 heeft eiser zich wederom ziek gemeld wegens psychische maar ook lichamelijke klachten. Bij besluit van 23 oktober 2007 is eiser ingaande 29 oktober 2007 geschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 24 december 2007 ongegrond verklaard. Op 25 februari 2008 heeft eiser zich wederom ziek gemeld. Bij besluit op bezwaar van 23 juni 2008 is eiser per 30 juni 2008 geschikt verklaard voor zijn eigen werk. Op 1 augustus 2008 heeft eiser zich wederom ziek gemeld. Bij besluit van 18 februari 2010 is eiser per 22 februari 2008 geschikt verklaard voor zijn eigen werk. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 27 mei 2010 ongegrond verklaard.”

1.2. Op 10 maart 2010 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om hem te onderwerpen aan een arbeidsongeschiktheidsonderzoek in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met terugwerkende kracht tot de datum eervol ontslag uit de militaire dienst op 9 januari 1980.

1.3. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij geen WAO-uitkering kan krijgen, omdat hij de wachttijd van 52 weken niet heeft volgemaakt. Aan dit besluit ligt een rapportage van een verzekeringsarts van 5 augustus 2010 ten grondslag.

1.4. Bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is de rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 28 januari 2011 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe allereerst opgemerkt dat het al dan niet vervullen van de wachttijd van 52 weken in het onderhavige geval moet worden beoordeeld over het tijdvak van 9 januari 1980 tot 6 juli 2004. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat appellant niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering omdat hij de destijds geldende wachttijd niet heeft volgemaakt voor juist moet worden gehouden. Appellant is na terugkomst uit Libanon en ontslag uit militaire dienst immers direct weer gaan werken en heeft diverse betrekkingen gehad. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in diens standpunt dat in zijn zaak sprake is van een medische “afzakker’’ nu niet is gebleken dat appellant aangepast werk heeft aanvaard omdat hij niet langer in staat is gebleken om zijn eigen werk te doen.

3. In hoger beroep heeft appellant (samengevat) zijn standpunten herhaald dat hij is aan te merken als een medische “afzakker’’ en dat hij met terugwerkende kracht in aanmerking dient te komen voor een WAO-uitkering.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Appellant heeft in essentie in hoger beroep herhaald hetgeen hij in beroep reeds had aangevoerd. Nu hij daarbij geen nadere medische stukken heeft overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in de periode van januari 1980 tot juli 2004 sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken ziet de Raad geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.

4.2. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

JvC