Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
11-2657 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ophoging arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met toepassing van artikel 22 van de WAO is bij de heropening van de uitkering van appellant het uitkeringspercentage bepaald op 85%. De Raad heeft geen aanleiding dat standpunt voor onjuist te houden. Uit de medische gegevens zoals die naar voren komen uit de rapportages van psychiater Lavid van 11 september 2009 en orthopedisch chirurg Brodie van 24 september 2009 blijkt weliswaar dat appellante aanmerkelijk beperkt is en voor een aantal dagelijks terugkerende levensverrichtingen hulp nodig heeft, maar niet blijkt van een situatie waarin continue oppassing noodzakelijk is of bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terug kerende levensverrichtingen hulp nodig heeft. Met inachtneming hiervan is de Raad voorts van oordeel dat de toegekende verhoging vanaf de datum dat appellante opnieuw voor WAO-uitkering in aanmerking is gebracht als juist moet worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2657 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2011, 10/1889 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] in de Verenigde Staten van Amerika (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Mr. S. Broens, advocaat, heeft zich in de loop van de procedure als nieuwe gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Namens appellante is mr. Broens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanuit het toenmalige Tsjecho-Slowakije naar Nederland gekomen en heeft hier verschillende werkzaamheden verricht. In 2000 is zij psychisch gedecompenseerd; in hetzelfde jaar heeft zij verschillende fracturen opgelopen ten gevolge van een ernstig ongeval. Mede op basis van informatie van dr. B. Vanermen, orthopedisch chirurg in Antwerpen, België, waar zij voor revalidatie verblijft, concludeert verzekeringsarts R.B.J. Hilhorst in zijn rapportage van 27 juni 2001 tot het op dat moment ontbreken van benutbare mogelijkheden en partieel ADL-afhankelijkheid. Zij ontvangt met ingang van 23 maart 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2. In 2002 en 2003 is de uitkering van appellante enkele malen geschorst, omdat zij niet tijdig reageerde op brieven met verzoeken om informatie van het Uwv, gericht aan haar adres [adres 1], [plaatsnaam 1], België.

1.3. Bij besluit van 1 oktober 2003, gericht aan het onder 1.2 genoemde adres, is appellante bericht dat haar uitkering ongewijzigd blijft.

1.4. Een nieuw verzoek om informatie van 13 juli 2004 is met een daarop geplaatste mededeling van 16 juli 2004 vanuit [plaatsnaam 1], dat de gevraagde gegevens binnen een maand zullen worden ingezonden, aan het Uwv geretourneerd.

1.5. Omdat verdere reactie uitbleef is de uitkering bij brief van 30 augustus 2004 opnieuw geschorst. Na telefonisch contact met appellante op 14 september 2004 is aan haar opnieuw verzocht gegevens in te zenden. Toen ook daarop geen reactie kwam heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2004, gezonden aan het bekende adres in België, besloten de uitkering per 24 september 2004 in te trekken omdat door toedoen van appellante niet kan worden vastgesteld of zij nog recht heeft op uitkering.

1.6. Op 19 februari 2008 heeft appellante vanuit Long Beach in de Verenigde Staten van Amerika alsnog op het verzoek om informatie van 13 juli 2004 gereageerd, onder mededeling dat zij niet eerder kon reageren omdat zij heel erg ziek was. Daarbij heeft zij gevraagd haar uitkering met terugwerkende kracht over de afgelopen jaren weer te ontvangen. Uit telefonisch contact met de moeder van appellante op 13 maart 2008 is gebleken dat appellante sedert december 2002 reeds op haar nieuwe adres in Amerika woont.

1.7. Naar aanleiding van het hernieuwde contact is een herbeoordeling gestart en is met ingang van 15 februari 2008 voorschot verstrekt, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.8. Na onderzoek door een psychiater en een orthopedisch chirurg in Amerika en een rapportage van verzekeringsarts K. Baal van 5 november 2009 heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2009 beslist de WAO-uitkering met ingang van 15 februari 2008 te heropenen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In verband met een toestand van hulpbehoevendheid is tevens besloten de uitkering te verhogen naar 85%. Geweigerd is een WAO-uitkering van 24 september 2004 tot 15 februari 2008 te betalen omdat betrokkene in staat is geweest om adequaat te handelen en te voldoen aan de controlevoorschriften.

1.9. Bij besluit van 11 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar, gericht tegen de hoogte van de uitkering en tegen de weigering om de uitkering vanaf 24 september 2004 alsnog te continueren, ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat niet eerder dan in 2008 de verhuizing naar Amerika is doorgegeven. Van de inmiddels overgelegde stukken kan niet aangetoond worden dat deze eerder naar het Gak/Uwv zijn gezonden terwijl bovendien op een eerder tijdstip juridische hulp ingeroepen kon worden toen de uitkeringen uitbleven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, tot uitdrukking komend in uitspraken van 3 maart 2010 (LJN BL6668) en 26 juni 2009 (LJN BJ2393), heeft de rechtbank overwogen dat de weigering om de uitkering eerder te heropenen slechts terughoudend kan worden getoetst omdat het daarbij gaat om buitenwettelijk, begunstigend beleid. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante pas op 19 februari 2008 aan haar verplichtingen op grond van de WAO heeft voldaan zodat het Uwv op grond van zijn beleid het eerder ingaan van de uitkering kon weigeren. Volgens de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden om in afwijking van het buitenwettelijk beleid de uitkering eerder te heropenen. Met name heeft de rechtbank de stelling verworpen dat appellante tussen 24 september 2004 en 2008 niet in staat was haar belangen te behartigen of te doen behartigen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich opnieuw op het standpunt gesteld dat haar uitkering in 2004 ten onrechte is ingetrokken. Zij heeft erop gewezen dat een toenmalige schorsing ongedaan is gemaakt. Voorts heeft zij nadere stukken ingezonden waaruit moet blijken dat zij in 2003 en 2004 brieven aan het Uwv heeft gezonden met vermelding van haar nieuwe adres. Daarnaast heeft appellante gesteld dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de gewenste terugwerkende kracht van de verhoging van de uitkering in verband met de toestand van hulpbehoevendheid. Op dat punt is ter zitting betoogd dat appellante al vanaf de aanvang van haar arbeidsongeschiktheid volledig hulpbehoevend is zodat een verhoging van de uitkering tot 100% vanaf 2001 gepast is.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel en de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de heropening van de WAO-uitkering met ingang van 15 februari 2008. De Raad voegt daaraan het volgende toe. In 2001 was het adres van appellante in België bij het GAK/Uwv bekend. Noch uit schriftelijke stukken, noch uit telefoonnotities kan worden afgeleid dat appellante tussen eind 2002 en september 2004 heeft doorgegeven dat zij is verhuisd naar Amerika. De in hoger beroep ingediende kopieën van brieven van appellante uit 2003 en 2004, waarin expliciet melding wordt gemaakt van haar nieuwe adres in Amerika, volstaan niet, nu daaruit niet blijkt of en zo ja wanneer die brieven daadwerkelijk aan het Uwv zijn verzonden. Daar staat tegenover dat het Uwv op 17 september 2003 een met de naam van appellante ondertekend formulier vanuit België heeft terug ontvangen, dat in de aantekeningen van het telefoongesprek dat appellante op 14 september 2004 heeft gevoerd met het Uwv evenmin wordt gerept over een ander adres en dat appellante bij brief van 19 februari 2008 expliciet en met verontschuldiging en opgegeven reden van vertraging reageert op het verzoek van 13 juli 2004 om de nodige gegevens te verstrekken. Met betrekking tot het kennelijke beroep op het gelijkheidsbeginsel door inzending op 18 april 2013 van een besluit in een ander geval overweegt de Raad dat dit beroep moet falen reeds op de grond dat niet gemotiveerd is aangegeven dat sprake is van gelijke gevallen die ongerechtvaardigd niet gelijk worden behandeld. Het hoger beroep ter zake van de heropening van de WAO-uitkering met ingang van 24 september 2004 slaagt niet.

4.2.1. Appellante heeft met juistheid betoogd dat de rechtbank heeft verzuimd te oordelen over de gevraagde verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens een toestand van hulpbehoevendheid. De Raad zal de uitspraak van de rechtbank in zoverre vernietigen.

4.2.2. Ingevolge artikel 22 van de WAO kan de WAO-uitkering, die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, worden verhoogd indien de betrokkene in een althans voorlopige blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert. Met toepassing van die bepaling is bij de heropening van de uitkering van appellant het uitkeringspercentage bepaald op 85%. De Raad heeft geen aanleiding dat standpunt voor onjuist te houden. Uit de medische gegevens zoals die naar voren komen uit de rapportages van psychiater Lavid van 11 september 2009 en orthopedisch chirurg Brodie van 24 september 2009 blijkt weliswaar dat appellante aanmerkelijk beperkt is en voor een aantal dagelijks terugkerende levensverrichtingen hulp nodig heeft, maar niet blijkt van een situatie waarin continue oppassing noodzakelijk is of bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terug kerende levensverrichtingen hulp nodig heeft. Met inachtneming hiervan is de Raad voorts van oordeel dat de toegekende verhoging vanaf de datum dat appellante opnieuw voor WAO-uitkering in aanmerking is gebracht als juist moet worden aangemerkt.

4.3. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep ter zake de ophoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ongegrond zal verklaren.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij niet is beslist over de verhoging van

de arbeidsongeschiktheidsuitkering;

- verklaart het beroep in zoverre ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in het hoger beroep tot een bedrag

van € 644,00;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het griffierecht van €112,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) Z. Karekezi

JvC