Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11-7220 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Begrip kring van verzekerden. Toekenning AOW-uitkering ter hoogte van 68% van het volledige pensioen voor een gehuwde. Niet verzekerde jaren. Appellant is vanaf 1 juli 1993 niet verzekerd geweest ingevolge de AOW op grond van enige bepaling in die wet of in Verordening EG 1408/71. Appellant heeft niet aangetoond dat hij vanaf zijn vertrek uit Nederland in 1993 ten onrechte premies volksverzekeringen heeft betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7220 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 november 2011, 11/2648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 7 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. Doorakkers hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 april 2013. Partijen zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is [in] 1944 in Nederland geboren en heeft hier te lande met zijn echtgenote gewoond en gewerkt tot in 1993 toen hij naar België is verhuisd. Van 1 juli 1993 tot 1 januari 2001 is appellant verzekerd geweest ingevolge de Belgische wetgeving inzake sociale verzekeringen. In 2009 is appellant met zijn echtgenote verhuisd naar Spanje.

1.2. De Svb heeft met ingang van juli 2006 aan de echtgenote van appellant een ouderdomspensioen en een toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag is de Svb ervan uitgegaan dat appellant vanaf 1 juli 1993 niet langer verzekerd was ingevolge de AOW.

1.3. Bij besluit van 22 september 2009 heeft de Svb met ingang van december 2009 aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van 68% van het volledige pensioen voor een gehuwde. Ten aanzien van de korting op het pensioen is daarbij overwogen dat appellant niet verzekerd is geweest krachtens de AOW van 1 juli 1993 tot en met 4 december 2009.

1.4. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 september 2009. Daartoe is aangevoerd dat uit een brief van de Svb uit 2007 blijkt dat door appellant eind 2002 een compromis is gesloten met de Belastingdienst, inhoudende dat na betaling van een bedrag van € 20.500,- de aanslagen over de jaren 1990 tot en met 2001 buiten invordering gesteld zouden worden. Verzocht wordt om terugbetaling van dit bedrag, dan wel om een hoger AOW-pensioen toe te kennen.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 22 april 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat niet is gebleken dat over het tijdvak vanaf 1993 ten onrechte premie voor de volksverzekeringen is betaald.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarbij als verwerende partij aangemerkt de raad van bestuur van het College voor zorgverzekeringen. De rechtbank is ervan uitgegaan dat appellant niet heeft betwist dat hij vanaf 1 juli 1993 niet langer ingezetene van Nederland was en dat hij toen niet onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Voor zover appellant naast zijn werkzaamheden in België tevens als zelfstandige werkzaam is geweest, heeft de rechtbank overwogen dat dan op grond van Verordening EG 1408/71 uitsluitend de Belgische wetgeving op hem van toepassing is geweest. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de beroepsgronden die betrekking hebben op de terugbetaling van betaalde belasting buiten de omvang van het geding vallen.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat zowel in België als in Nederland belasting en sociale premies zijn betaald en dat nimmer een teruggave van de ten onrechte betaalde belasting en premies heeft plaatsgevonden. Tevens is erop gewezen dat aan appellant in 1996 een aanslag is opgelegd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Verzocht wordt om terugbetaling van de te veel betaalde belasting, dan wel om een hoger AOW-pensioen aan hem toe te kennen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Allereerst moet vastgesteld worden dat in de aangevallen uitspraak sprake is van een verschrijving, nu de rechtbank daarin de raad van bestuur van het College van zorgverzekeringen als verweerder heeft aangemerkt in plaats van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank.

4.2. Voorop moet worden gesteld dat het bestreden besluit betrekking heeft op de toekenning van een ouderdomspensioen aan appellant ter hoogte van 68% van het pensioen voor een gehuwde. Dit betekent dat het geschil in hoger beroep beperkt is tot de vraag of de rechtbank dit besluit van de Svb terecht in stand heeft gelaten.

4.3. Namens appellant is de aangevallen uitspraak niet betwist voor zover daarin is overwogen dat appellant vanaf 1 juli 1993 niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW op grond van enige bepaling in die wet of in Verordening EG 1408/71. Voor zover appellant aanspraak maakt op een hoger AOW pensioen, omdat hij dubbele belasting en premies zou hebben betaald in België en Nederland, moet vastgesteld worden dat appellant niet heeft aangetoond dat hij vanaf zijn vertrek uit Nederland in 1993 ten onrechte premies volksverzekeringen heeft betaald. Uit de namens appellant overgelegde gegevens met betrekking tot opgelegde aanslagen en de correspondentie daarover met de Belastingdienst blijkt dat uiteindelijk de opgelegde aanslagen vanaf 1993 op nihil zijn gesteld. Deze grond behoeft derhalve geen nadere bespreking nu die feitelijke grondslag ontbeert.

4.4. Ten aanzien van het verzoek om teruggave van te veel betaalde belasting en premies moet vastgesteld worden dat het bestreden besluit daarop geen betrekking heeft. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt. Daarbij wordt nog opgemerkt dat appellant zich terzake van eventueel teveel of onverschuldigd betaalde belasting en premies dient te wenden tot de Belastingdienst. Dat geldt evenzeer voor de stelling van appellant dat ten onrechte aan hem een aanslag BPM zou zijn opgelegd in 1996.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) K.E. Haan

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

JvC