Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
11-6667 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6667 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 oktober 2011, 11/2434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T.C. Rebergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Door de opvolgende gemachtigde, mr. M.J.G. Voets, advocaat, zijn nadere gronden ingediend onder bijvoeging van aanvullende stukken. Hierop is gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv.

Desgevraagd heeft het Uwv een nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2013. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster en assistent leidster kinderdagverblijf. Op 5 januari 2009 heeft zij zich ziek gemeld voor haar werk in verband met psychische en lichamelijke klachten.

1.2. Bij besluit van 11 november 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 3 januari 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3. Bij bestreden besluit van 7 juni 2011 heeft het Uwv het tegen het besluit van 11 november 2010 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medische onderzoek onzorgvuldig te achten. Zij heeft evenmin aanleiding gezien voor de conclusie dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende beperkingen zijn opgenomen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer betrokken dat rekening is gehouden met informatie van arts A. Erikli. Dat de bezwaarverzekeringsarts in die gegevens geen aanleiding heeft gezien een urenbeperking voor appellante aan te nemen, kon de rechtbank volgen. De rechtbank heeft ook in de indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de beperkingen van appellante vastgelegd in de FML. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het Uwv de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het medisch onderzoek op onzorgvuldige wijze is verricht. Onder verwijzing naar de verklaringen van arts Erikli en de huisarts, het rapport van psycholoog K. van Loenen en de daarbij behorende FML en het indicatiebesluit van het CIZ heeft appellante aangevoerd dat zij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De rechtbank is uitgebreid ingegaan op de stellingen van appellante en heeft op basis van de in het dossier aanwezige medische stukken, waaronder de brieven van Erikli, met juistheid geconcludeerd dat het Uwv daarin terecht geen aanleiding heeft gezien verdergaande beperkingen, daaronder begrepen een urenbeperking, voor appellante aan te nemen. Het in hoger beroep ingebrachte rapport van psycholoog Van Loenen, welke ten grondslag lag aan de WSW-indicatie, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad acht daarbij van belang dat de bevindingen van Van Loenen in grote lijnen overeen komen met de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. Verder wijst de Raad er op dat Van Loenen onder meer heeft geconcludeerd dat hij verwacht dat de klachten van appellante qua ernst zullen afnemen na werkhervatting. Deze verklaring biedt derhalve geen onderbouwing voor de stelling van appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt is. De in hoger beroep ingebrachte verklaring van de huisarts van appellante kan evenmin tot deze conclusie leiden omdat deze geen gegevens bevat over de datum in geding. Voor een onderzoek door een deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is vervolgens de vraag aan de orde of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies als voor appellante in medisch opzicht geschikt kunnen worden aangemerkt. Naar aanleiding van vragen die door de Raad aan het Uwv zijn gesteld, heeft de bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de voor de schatting gebruikte functies van folieverwerker en productiemedewerker industrie. Gelet op de medicatie die appellante gebruikt is de bezwaarverzekeringsarts, na overleg met de verzekeringsarts, tot de conclusie gekomen dat het niet verantwoord is appellante een ladder van zes á zeven meter te laten beklimmen, zoals in de functie folieverwerker is vereist. De bezwaararbeidsdeskundige is om die reden van mening dat de functie van folieverwerker niet langer aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Met betrekking tot de functie productiemedewerker industrie heeft de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de signalering op het aspect deadlines/productiepieken nader toegelicht dat er geen sprake is van deadlines in de eigenlijke zin van het woord. Appellante dient weliswaar productietargets te halen, maar deze zijn voor iemand met een normaal handelingstempo, zoals appellante, te halen. De deadline bestaat dus uit het behalen van een target, maar dit levert geen productiepiek op. De bezwaararbeidsdeskundige heeft tot slot geconcludeerd dat met het vervallen van de functie folieverwerker voldoende functies resteren om de schatting op te baseren en het verlies aan verdienvermogen op basis van die functies nog steeds 0% bedraagt. De Raad acht met deze nadere toelichting de geschiktheid van de voorgehouden functies alsnog afdoende toegelicht en ziet geen aanleiding om de bezwaararbeidsdeskundige niet te volgen in zijn conclusies.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet op het feit dat, zoals aangehaald in 4.2, eerst in hoger beroep een volledige toelichting is gegeven op de geschiktheid van appellante voor de geduide functies, bestaat er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en een bedrag van € 944,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot in totaal € 1.888,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.J. Penning