Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11/6503 BESLU + 11/6505 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de gronden van beroep beperkt het geschil zich tot de vraag of de rechtbank, uitgaande van de door haar vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, een juist schadevergoedingsbedrag heeft uitgesproken. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om deze vergoeding in het voorliggende geval op een hoger bedrag te stellen omdat hetgeen door appellant is aangevoerd al is verdisconteerd in de hoogte van het schadevergoedingsbedrag van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan. Van extra spanning en frustratie is niet gebleken. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is de schending van de redelijke termijn niet gedeeltelijk veroorzaakt door het processuele gedrag van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6503 BESLU, 11/6505 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 september 2011, 10/2501 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. van der Pol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Staat en het Uwv hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 april 2013. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van 14 december 2010 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 10 juli 2009 (09/1610). Aan dit besluit zijn een uitspraak van de rechtbank en van de Raad voorafgegaan, waarin een eerder besluit op bezwaar van het Uwv is vernietigd, zodat het Uwv opnieuw op het bezwaar moest beslissen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 december 2010 bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank heeft het Uwv en de Staat aangemerkt als partij in die procedure. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 december 2010 bepaald dat het materiële eindpunt van de procedure ligt op 10 juli 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de redelijke termijn, die is aangevangen met het indienen van het bezwaarschrift van 1 mei 2003 en, zoals is overwogen in de uitspraak van 14 december 2010, geëindigd op 10 juli 2009, met twee jaar en tweeëneenhalve maand is overschreden. Anders dan appellant ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in dit geval sprake is van (veel) meer dan de gebruikelijke spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure, zodat de rechtbank voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding uitgaat van een bedrag van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan. Voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv in de beide bezwaarprocedures de redelijke termijn met 2,5 maand heeft overschreden, maar dat deze overschrijding in de tweede procedure (na terugwijzing door de Raad) aan het processuele gedrag van appellant te wijten is geweest. Om deze reden heeft de rechtbank het Uwv tot vergoeding van € 500,- veroordeeld. De rechtbank heeft de door de Staat toegekende schadevergoeding van € 2.000,- niet te laag geacht en heeft de Staat dan ook veroordeeld tot vergoeding van € 2.000,-.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn door het Uwv ten onrechte deels aan zijn processuele gedrag heeft geweten. Verder heeft appellant gesteld dat hij onevenredig zwaar getroffen is door de lengte van de procedure zodat een hogere schadevergoeding dan € 500,- per half jaar is aangewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de gronden van beroep beperkt het geschil zich tot de vraag of de rechtbank, uitgaande van de door haar vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, een juist schadevergoedingsbedrag heeft uitgesproken. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is, in beginsel, een vergoeding gepast van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om deze vergoeding in het voorliggende geval op een hoger bedrag te stellen omdat hetgeen door appellant is aangevoerd al is verdisconteerd in de hoogte van het schadevergoedingsbedrag van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan. Van extra spanning en frustratie is niet gebleken.

4.2. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is de schending van de redelijke termijn niet gedeeltelijk veroorzaakt door het processuele gedrag van appellant. De Raad heeft bij uitspraak van 29 oktober 2008 in BG2819 het eerdere besluit op bezwaar van 30 juli 2007 vernietigd, waardoor het Uwv tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar moest overgaan. Eerst op 9 februari 2009 heeft het Uwv appellant via de mail benaderd met een voorgenomen afdoening, waarop appellant binnen tweeënhalve week heeft gereageerd. Het Uwv en appellant hebben daarna een aantal keren overleg gehad over de verdere afdoening, waarna uiteindelijk op 10 juli 2009 een besluit op bezwaar is genomen. In dit traject is geen sprake geweest van een periode waarin appellant onnodig lang heeft gewacht met het reageren op berichten van het Uwv over de afdoening.

5. Hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De door de rechtbank vastgestelde en door appellant niet betwiste overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en tweeëneenhalve maand leidt tot een schadevergoeding van maximaal € 2.500,-. Nu de Staat is veroordeeld tot een vergoeding van € 2.000,- , kan het Uwv niet tot een schadevergoeding van meer dan € 500,- worden veroordeeld.

6. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.J. Penning