Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2424

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
13-885 BESLU-S
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning verzoek om schadevergoeding. Schending redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/885 BESLU-S

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[A. te B.], België (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

Datum uitspraak: 7 juni 2013

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2008, 08/298, in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Bij uitspraak van 1 maart 2013, LJN BZ2811, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad onder andere bepaald dat het onderzoek onder het op het voorblad van deze uitspraak genoemd nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 9 april 2013 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij brief van

12 april 2013 heeft verzoeker daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter afdoening heeft de Raad de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 1 maart 2013 heeft de Raad geoordeeld dat namens verzoeker uitdrukkelijk is aangegeven dat het verzoek om schadevergoeding alleen betrekking heeft op de duur van de procedure bij de Raad en zich beperkt tot een bedrag van € 1.500,-. Verder is vastgesteld dat vanaf de ontvangst door de Raad op 23 december 2008 van het hoger beroepschrift van verzoeker tot de datum van bedoelde uitspraak de procedure bij de Raad ruim vier jaar heeft geduurd, waarmee de Raad de hem toekomende behandelingsduur van twee jaar heeft overschreden, terwijl daarmee ook de totale behandelingsduur in de rechterlijke fase is overschreden. Voorts is geoordeeld dat aan deze vaststelling het vermoeden kan worden ontleend dat de Raad de redelijke termijn heeft geschonden.

2. Namens de Staat is - kort weergegeven - erkend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat verzoeker in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is te kennen gegeven dat verzoeker een vergoeding van € 1.500,- toekomt.

3. Verzoeker heeft in zijn brief van 12 april 2013 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de berekening van de Staat, zoals weergegeven in de brief van 9 april 2013.

4.1. De Raad stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat verzoeker een schadevergoeding van € 1.500,- toekomt wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure die is geëindigd met de onder 1 vermelde uitspraak van de Raad. Tussen partijen bestaan geen overige geschilpunten.

4.2. Er wordt aanleiding gezien om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 236,- (0,5 punt voor het indienen van de reactie van 12 april 2013) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van € 1.500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2013.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) K.E. Haan