Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
12-424 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand in het kader van de regeling voor daklozen. Appellant is geen (zwervende) dakloze en heeft niet in die hoedanigheid recht op bijstand.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/424 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

8 december 2011, 10/1972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

Datum uitspraak 5 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 20 oktober 2009 door middel van inlevering van het aanvraagformulier uitkering levensonderhoud dak- en thuisloze, een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek door het college naar de woonsituatie van appellant heeft appellant twee lijsten ingeleverd met adressen waar hij in de periode van 12 oktober 2009 tot en met 30 november 2009 heeft overnacht (overnachtingslijsten). Hieruit komt naar voren dat appellant in deze periode op vier adressen heeft verbleven, te weten bij zijn zus op het adres [adres 1] in [woonplaats], bij zijn neef op het adres [adres 2] in [plaatsnaam], bij zijn oom op het adres [adres 3] in [plaatsnaam] en bij zijn ex-schoonzus op het adres [adres 4] in [plaatsnaam]. Op de overnachtingslijsten is ook vermeld dat de kleding en andere spullen van appellant bij zijn zus liggen, dat zij zijn kleding wast en dat hij zich daar persoonlijk kan verzorgen. Op 11 december 2009 is een huisbezoek afgelegd op het adres van de zus van appellant. Tijdens dit huisbezoek is appellant in de woning van zijn zus aangetroffen en heeft hij verklaard dat hij vier nachten per week bij zijn zus slaapt, dat hij ook wel eens bij zijn neef in [plaatsnaam] of bij vrienden en kennissen in Utrecht overnacht en dat het er op neer komt dat hij van maandag tot vrijdag bij zijn zus verblijft. Ook heeft appellant verklaard dat hij niet als woningzoekende staat ingeschreven. Op 11 december 2009 is ook een huisbezoek afgelegd op het adres van de neef van appellant. De betreffende medewerkers hebben geconstateerd dat de woning werd verbouwd en er is geen verder onderzoek gedaan.

1.3. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen, welk besluit na bezwaar bij besluit van 11 mei 2010 (bestreden besluit) is gehandhaafd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen (zwervende) dakloze is en niet in die hoedanigheid recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente. De gemeente Amersfoort is als zodanig aangewezen.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 3 juni 2008, LJN BD3393) moeten de daklozen die een zwervend bestaan leiden worden gerekend tot de doelgroep van de wettelijke regeling voor adreslozen en is voor de beoordeling van het recht op bijstand van de adresloze de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang. Aangezien het hier gaat om een besluit op aanvraag, was het aan appellant om aannemelijk te maken dat hij een zwervend bestaan leidde.

4.3. In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een (zwervend) dakloze was en daarom aanspraak kon maken op bijstand in het kader van de regeling voor daklozen. Uit de door appellant tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring blijkt immers dat appellant ten tijde hier van belang de meeste nachten van de week op het adres van zijn zus doorbracht en daar ook zijn kleding en spullen had ondergebracht. Uit de inhoud van die verklaring blijkt niet dat appellant, zoals hij heeft gesteld, slechts heeft verklaard over zijn woonsituatie in de week die aan het huisbezoek onmiddellijk voorafging en dat die week niet representatief is voor zijn feitelijke woon- en leefsituatie ten tijde hier van belang. Van betekenis is in dit verband dat uit de overnachtingslijsten die betrekking hebben op de periode van 12 oktober 2009 tot en met 30 november 2009 blijkt dat appellant ongeveer de helft van de nachten op het adres van zijn zus doorbracht. Dat appellant af en toe ook op andere adressen verbleef en dat hij vanwege verbouwingswerkzaamheden tijdelijk geen gebruik kon maken van de woning van zijn neef, doet er niet aan af dat hij bij zijn zus daadwerkelijk over een verblijfadres beschikte en daar zijn spullen had ondergebracht. De omstandigheid dat appellant geen eigen kamer had op het adres van zus en zich daar ook niet kon laten inschrijven maakt dat niet anders.

4.4. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college de aanvraag had moeten aanmerken als een reguliere aanvraag om algemene bijstand toen bleek dat appellant niet kon worden aangemerkt als een zwervend dakloze.

4.5. Deze beroepsgrond treft geen doel. Blijkens het aanvraagformulier heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand voor dak- en thuislozen. Een betrokkene die aanspraak op bijstand wenst te maken, is zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de daartoe strekkende aanvraag, ook in geval de betrokkene een daartoe door het college uitgereikt formulier gebruikt. Nu voorts een reguliere aanvraag om algemene bijstand een andere beoordeling vergt dan bijstand voor daklozen die een zwervend bestaan leiden, hoefde het college de aanvraag van appellant niet tevens als een reguliere aanvraag om algemene bijstand aan te merken.

4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.C. Oomkens

HD