Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
11-7324 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 8 mei 2003. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7324 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

9 november 2011, 10/4487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Minister van Defensie, voorheen de Staatssecretaris van Defensie (minister)

Datum uitspraak 6 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2013. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1.1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd op naam van de Staatssecretaris van Defensie, is door een wijziging van taken voortgezet door de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister wordt daaronder (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

1.2. Appellant was vanaf 1985 als burgerambtenaar in dienst bij het Ministerie van Defensie, laatstelijk als organisatieonderzoeker en -adviseur bij de afdeling [naam afdeling].

1.3. Bij besluit van 8 mei 2003 is appellant, op zijn verzoek, met ingang van 1 juli 2003 aangemerkt als herplaatsingskandidaat die op grond van het Sociaal Beleidskader Defensie (SBK) gedurende twee jaar gebruik mag maken van de instrumenten studiefaciliteiten en externe bemiddeling.

1.4. Bij besluit van 24 maart 2005 heeft de minister appellant per 1 juli 2005 eervol ontslag verleend. De minister heeft bij besluit van 3 februari 2006 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 maart 2005 ongegrond verklaard en zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 8 mei 2003 afgewezen. Bij uitspraak van 8 december 2006 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 3 februari 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 8 mei 2003 heeft kunnen afwijzen. De minister heeft echter onvoldoende inspanningen verricht om appellant extern te herplaatsen.

1.5. Na een periode van onderhandeling, die echter niet tot een schikking heeft geleid, heeft de minister bij besluit van 25 augustus 2008 het ontslagbesluit van 24 maart 2005 gehandhaafd onder toekenning van een bedrag van € 35.000,- aan appellant. Bij uitspraak van 27 maart 2009 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant tegen het besluit van 25 augustus 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het ontslagbesluit van 24 maart 2005 herroepen. De rechtbank heeft overwogen dat de minister sinds de uitspraak van de rechtbank van 8 december 2006 ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om appellant elders te plaatsen.

1.6. Naar aanleiding van de uitnodiging van het Diensten Centrum Externe Bemiddeling Defensie in juli 2009 voor de begeleiding van het externe herplaatsingsproces, heeft appellant bij brief van 22 oktober 2009, kort samengevat, gesteld dat de minister op grond van het SBK eerst de interne herplaatsingsmogelijkheden moet onderzoeken voordat externe herplaatsing mogelijk is.

1.7. Bij besluit van 6 november 2009, gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2010 (bestreden besluit), heeft de minister, onder verwijzing naar het besluit van 8 mei 2003, te kennen gegeven niet van dat besluit te zullen terugkomen en dat uitsluitend een extern herplaatsingstraject zal worden uitgevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij in 2003 niet vrijwillig afstand heeft gedaan van interne herplaatsing en dat hij graag intern herplaatst wil(de) worden bij de Centrale Organisatie van het Ministerie van Defensie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring overgelegd van 28 februari 2012 van J.H.H. van Hulsen, bestuurslid van de Vakbond voor Defensiepersoneel, en een medische verklaring van drs. J.C.M. Oliehoek, zenuwarts/psychiater bij wie appellant sinds begin jaren 90 onder behandeling is. Van Hulsen heeft verklaard dat appellant zich in 2003, mede gelet op de chronische vorm van migraine waaraan hij leed, gesteld zag voor de keuze tussen ongeschiktheidsontslag of externe herplaatsing. Hij heeft toen weliswaar een verzoek ingediend voor een extern herplaatsingstraject, maar hij heeft zijn keuze daartoe niet in vrijheid kunnen maken. Oliehoek heeft verklaard dat appellant bij de totstandkoming van het besluit van 8 mei 2003 niet in (psychische) vrijheid zijn keuze heeft kunnen bepalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Bij zijn bestreden besluit heeft de minister geweigerd om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 8 mei 2003. De toetsing van een dergelijke weigering is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, in eerste instantie beperkt tot het beantwoorden van de vraag of appellant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

4.2. De beroepsgrond van appellant dat hij zijn verzoek om externe herplaatsing in 2003 niet in vrijheid, maar onder druk van de omstandigheden heeft gedaan, had hij kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 mei 2003. Appellant heeft dit nagelaten. Er is dan ook geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

4.3. Dit betekent dat de minister bevoegd was om het verzoek onder verwijzing naar het besluit van 8 mei 2003 af te wijzen. Niet gezegd kan worden dat de minister niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

4.4. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2013.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.K. Dekker

HD