Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
11-6464 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van de besluiten van 22 maart 1995 en 8 januari 2001. Niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6464 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 oktober 2011, 11/3305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. van Vulpen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vulpen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant in verband met psychische klachten met ingang van 7 december 1992 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 22 maart 1995 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 1 juni 1995 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Appellant heeft zich op 17 september 1996, vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met toegenomen rugklachten en een angststoornis. De op deze ziekmelding gevolgde besluitvorming heeft - kort gezegd - geleid tot een beroepsprocedure bij de rechtbank in het kader van de Ziektewet, in welk kader zenuwarts Kok de rechtbank van advies en verslag heeft gediend, en uiteindelijk tot een beoordeling door het Uwv in het kader van de WAO of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit op bezwaar van 8 januari 2001 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant op en na 17 september 1996 volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen. De WAO-uitkering van appellant is met toepassing van artikel 39a van de WAO ingaande 15 oktober 1996 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij deze beoordeling heeft het Uwv het rapport van zenuwarts Kok betrokken. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.2. Appellant heeft het Uwv bij brief van 28 februari 2011 verzocht terug te komen van de besluiten van 22 maart 1995 en 8 januari 2001. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij gedurende de periode van 1 juni 1995 tot 17 september 1996 eveneens doorlopend volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen en dat de besluiten van 22 maart 1995 en 8 januari 2001 onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Appellant benadrukt dat de omstandigheid dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid over de periode van 1 juni 1995 tot 17 september 1996 ten onrechte is vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% grote gevolgen heeft voor de opbouw van zijn pensioen.

1.3. Bij besluit van 15 maart 2011 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van zijn besluiten van 22 maart 1995 en 8 januari 2001.

1.4. Bij besluit van 25 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals is bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad onder meer overwogen dat de stelling van appellant, dat er sprake is geweest van doorlopende volledige arbeidsongeschiktheid in de periode van 1 juni 1995 tot 17 september 1996, geen nieuw feit oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat appellant niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat hij niet kon opkomen tegen het besluit van 8 januari 2001 en de daarin gekozen ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen en heeft ook anderszins niet in strijd gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de keuze van het Uwv om hem over de periode van 1 juni 1995 tot 17 september 1996 niet doorlopend volledig arbeidsongeschikt te achten, gelet op het rapport van zenuwarts Kok en de ongewijzigde medische situatie bij appellant, arbitrair is te achten. Appellant betoogt verder dat de financiƫle gevolgen van deze arbitraire schattingsbeoordeling voor zijn pensioenopbouw hem eerst in 2011 duidelijk zijn geworden. Eerst toen is hem duidelijk geworden dat de verlaging van zijn WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% niet zonder gevolgen was voor de opbouw van zijn pensioenrechten bij het Pensioenfonds Metaal & Techniek (PMT).

4. De Raad komt tot een volgende beoordeling.

4.1. Het verzoek van appellant van 28 februari 2011 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluiten van 22 maart 1995 en 8 januari 2001. Deze besluiten zijn in rechte onaantastbaar geworden.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Appellant had, indien hij het niet eens was met de vaststelling van de ingangsdatum van zijn volledige arbeidsongeschiktheid, dienen op te komen tegen het besluit van 8 januari 2001. Voorts had appellant, los van de vraag of deze omstandigheid een nieuw licht werpt op de medische situatie van appellant in de relevante periode, eerder kunnen onderkennen dat de herziening van zijn WAO-uikering per 1 juni 1995 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% niet zonder financiƫle gevolgen was voor de opbouw van zijn pensioen. Een aan appellant gerichte brief van het PMT van 22 april 2011 vermeldt dat de pensioenopbouw van appellant is vastgesteld aan de hand van een van 1987 tot en met 1994 geldend reglement. Appellant had de door hem aangevoerde omstandigheden daarom eerder kunnen aanvoeren.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Barry als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Barry

RB