Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
10/6719 WWB + 12/2821 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. Het duidt er niet op dat appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/79 met annotatie van L.M. Koenraad
USZ 2013/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6719 WWB, 12/2821 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

10 november 2010, 09/7735 (aangevallen uitspraak 1) en 4 april 2012, 11/1194 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

Datum utispraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

De enkelvoudige kamer heeft de gevoegde zaken ter zitting behandeld op 27 november 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en vergezeld door B.A. Hitchcock, tolk. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Molema.

Na de behandeling ter zitting heeft de enkelvoudige kamer het onderzoek heropend en de zaken verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij brief van 15 februari 2013 heeft appellant zijn hoger beroep nader toegelicht.

De meervoudige kamer heeft de zaken ter zitting van 26 maart 2013 opnieuw behandeld. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard en vergezeld door H.P. Vuijk, tolk. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.M. van der Meij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 24 september 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellante niet woont op het uitkeringsadres, [adres 1] te [woonplaats], heeft de Sociale Recherche Zuid Holland Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties verricht nabij het uitkeringsadres en het adres van appellant ([adres 2] te [woonplaats]), (voormalige) buurtbewoners van appellanten alsmede (voormalige) medewerkers van het restaurant van appellant gehoord, huisbezoeken afgelegd op het uitkeringsadres en appellanten verhoord. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2009.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 3 juli 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2009 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 24 september 2007 in te trekken en de over de periode van 24 september 2007 tot en met 30 april 2009 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 20.220,09. Aan het bestreden besluit 1 ligt, samengevat, ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het dagelijks bestuur mee te delen dat zij gedurende de bijstandsverlening haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van appellant, waar ook de beide kinderen van appellanten woonachtig zijn.

1.4. Bij besluit van 26 mei 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 december 2010 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de onder 1.3 vermelde kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. Appellanten hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De onderzoeksbevindingen rechtvaardigen niet de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het adres van appellant heeft gehad. De observaties hebben slechts betrekking op zes dagen. Omdat appellant toen buitenlandse gasten had, heeft appellante op de kinderen gepast. De verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres en het adres van appellant zijn evenmin voldoende om een gezamenlijke huishouding op te baseren. Er was weinig contact met de buurtbewoners, zij zijn nooit in de woningen van appellanten geweest en kunnen dus niet weten wat daar gebeurt. De kinderen zijn de reden dat appellante vaak aanwezig is op het adres van appellant en daar soms ook slaapt. Appellanten hebben verder hun eigen privéleven en hun financiële zaken zijn gescheiden. Dat geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding blijkt ook uit het arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 juni 2012, waarbij het hof appellante heeft vrijgesproken van het opzettelijk niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant en aannemelijk heeft geacht dat appellante haar hoofdverblijf niet op het adres van appellant heeft. Voor zover de Raad oordeelt dat appellanten wel een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, had het dagelijks bestuur het terugvorderingsbedrag moeten matigen, aangezien het netto resultaat van de onderneming van appellant in de jaren 2007 en 2009 lager was dan de gehuwdennorm.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De gezamenlijke huishouding

4.1. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 24 september 2007, de datum met ingang waarvan de bijstand van appellante is ingetrokken, tot en met 3 juli 2009, de datum van het aan appellante gerichte primaire besluit.

4.2. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten twee kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.3. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt het volgende.

4.3.1. Appellante heeft tijdens haar verhoor op 18 mei 2009 onder meer verklaard dat zij zeven dagen per week aanwezig is in de woning van appellant, maar daar niet zeven dagen per week overnacht, dat zij ’s morgens de kinderen te eten geeft en als de kinderen uit school komen soms ook voor warm eten zorgt en dat appellanten beiden de dagelijkse zorg voor de kinderen hebben. Voorts verklaarde zij dat de verklaringen van de buurtbewoners van [adres 1], dat appellant er niet zou wonen, onjuist is en dat er geen andere mensen wonen. Ook verklaarde zij dat zij op de [adres 3] is blijven wonen, nadat [naam appellant] (appellant) met de kinderen naar de [adres 2] verhuisden.

4.3.2. Appellant heeft tijdens zijn verhoor op 19 mei 2009 onder meer verklaard dat hij het beste wil voor zijn kinderen, zijn kinderen gek zijn op hun moeder, de kinderen niet willen dat hij en appellante uit elkaar gaan, hij geen idee heeft hoeveel dagen per week zij in zijn woning slaapt omdat hij haar zo weinig ziet, zij wel vaak bij hem is en hij en appellante de afspraak hebben dat zij de kinderen niet alleen laten.

4.3.3. Uit de cameraobservaties in de periode van 13 maart tot en met 19 maart 2003 is gebleken dat appellante elke dag en nacht in de woning van appellant heeft verbleven, boodschappen doet en gebruik maakt van de auto van appellant.

4.3.4. Op 18 mei 2009 zijn drie buurtbewoners van het adres van appellant gehoord. Zij hebben na het tonen van een foto van appellante haar als buurvrouw en bewoonster van [adres 2] herkend.

De bewoner van [straatnaam 2] 166 heeft verklaard dat hij zijn buren van de [adres 2] regelmatig tegenkomt, op nr. 164 een man, vrouw en twee kinderen wonen, de kinderen een tweeling zijn, de man een shoarmazaak heeft op de [adres 4], hijzelf sinds november 2002 op de [adres 2] woont en, voor zover hij zich kan herinneren, de man, vrouw en de tweeling alhier ook sinds november wonen, hij een normaal contact met hen heeft en zij elkaar groeten.

De bewoonster van [straatnaam 2] 160 heeft verklaard dat zij hier sinds november 2008 wonen, zij geen direct contact hebben met de bewoners van nr. 164, zij weet dat er een buitenlandse man, een buitenlandse vrouw en twee kinderen wonen, zij heeft gehoord dat de man een horecagelegenheid heeft en de bewoners in een goudkleurige [merk auto] rijden.

De bewoner van [straatnaam 2] 168 heeft verklaard dat hij met de bewoners van [straatnaam 2] 168 geen contact heeft, hij weet dat er een man, vrouw en twee kinderen wonen, hij hier met zijn vrouw woont sinds augustus 2007 en de bewoners van nr. 164 er toen al woonden.

4.3.5. Op 18 mei 2009 heeft een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. Daar bevond zich een Poolse man, [naam Poolse man]. Hij verklaarde onder meer dat hij sinds vrijdag een week geleden op het adres woont, hij soms in het restaurant werkt, appellante er regelmatig komt, maar er niet woont en niet slaapt.

4.3.6. Op 20 mei 2009 is voorts gehoord [S.], die sinds 2003 op het adres van appellant stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Hij verklaarde onder meer dat hij sinds 2004 in het restaurant van appellant werkt en dat de tijdens het huisbezoek aangetroffen Poolse man [naam Poolse man] moet zijn die in appellantes huis woont, nu drie maanden in Nederland is en vorig jaar ook hier was en daar sliep. [S.] zelf woont, aldus zijn verklaring, sinds de zomer vorig jaar met grote regelmaat op het adres [adres 1], heeft een sleutel en mag er slapen. [S.] weet niet of appellante daar haar hoofdverblijf heeft.

4.3.7. Op 28 en 29 april 2009 zijn drie buurtbewoners van het adres [adres 3] gehoord, waar appellante tot 10 juni 2008 in de GBA stond ingeschreven.

De bewoonster van [straatnaam 3] 32 verklaarde, na het tonen van een foto van appellante, dat zij die vrouw wel eens gesproken had maar die hier beslist niet heeft gewoond, die vrouw volgens haar de woning huurde en soms naar de woning kwam. Volgens haar reed ze in een Mecedes-Benz, woonden er tot de zomer van 2008 voornamelijk Poolse vrouwen en kwamen er later ook mannen wonen. Ook verklaarde zij dat sinds 2005 op het adres [straatnaam 3] 32 woont en dat er toen al Poolse mensen woonden.

De bewoner van [straatnaam 3] 36 verklaarde, na het tonen van een foto van appellante, dat deze vrouw hier met haar twee kinderen heeft gewoond, de man een shoarmazaak (IBIS) heeft in [woonplaats], hij denkt dat deze mensen in 2003 zijn verhuisd naar een nieuwbouwwoning in de [adres 2], na hun verhuizing er voornamelijk Poolse vrouwen kamen wonen, die vrouwen ’s ochtends met de fiets vertrokken en de woning via de achterzijde verlieten, de bewoning heeft geduurd tot er een inval is geweest, na de inval er ook nog mensen hebben gewoond, in ieder geval een werknemer van IBIS tot augustus 2008, er daarna andere mensen zijn komen wonen en de vrouw die hier tot de verhuizing in 2003 heeft gewoond, gemiddeld twee keer per week nog naar de woning kwam waar de Poolse vrouwen woonden.

De bewoonster van [straatnaam 3] 38 verklaarde dat op het adres [straatnaam 3] een man, vrouw en twee kinderen hebben gewoond, zij in 2003 of 2004 zijn verhuisd, de man een zaak heeft op [naam plein], de vrouw [M.] heette, na hun verhuizing vier of vijf Poolse mensen, voornamelijk vrouwen, op het adres zijn komen wonen, zij ’s ochtends met de fiets vertrokken en ’s avonds terugkwamen, de woning ook na de inval in 2007 verhuurd bleef, [M.] toen zij verhuisd was af en toe nog naar de voormalige woning terugkwam.

4.3.8. Op 12 en 18 maart 2009 zijn twee buurtbewoners van het adres [adres 1] gehoord, waar appellante vanaf 10 juni 2008 in de GBA staat ingeschreven.

De bewoonster van [straatnaam 1] 134 verklaarde dat er volgens haar twee mannen van buitenlandse afkomst op het adres [adres 1] wonen, dat vorig jaar, zij meent april 2008, daar ene Maria of Miriam is komen wonen, maar die daar eigenlijk niet verblijft, dat zij destijds kennis met haar heeft gemaakt toen ze de ramen aan het zemen was, dat zij haar soms nog wel eens ziet, zij denkt om de boel op te ruimen of de post op te halen. De mannen die er wonen, gaan meestal ’s middags om twee uur op de fiets weg. Zij denkt dat ze in de shoarmazaak van de ex-partner van Maria of Miriam werken, heeft van horen zeggen dat zij bij hem woont, maar weet niet waar hij woont.

De bewoonster van [straatnaam 1] 133 verklaarde dat volgens haar vanaf de zomer vorig jaar een vrouw de flatwoning op het adres [adres 1] huurt, dat zij die vrouw een lange tijd niet heeft gezien, dat zij haar in het begin nog wel eens zag om bijvoorbeeld de ramen te lappen, dat zij absoluut zeker weet dat die vrouw daar niet woont, dat volgens haar die vrouw haar woning onderverhuurt aan personen van buitenlandse afkomst, dat zij sinds een week nog maar één man ziet, dat die man ’s middags tussen een of twee uur vertrekt en ’s avonds laat weer terugkomt, dat zij dat weet omdat zij meerdere malen heeft gezien dat de mannen de woning binnen gaan en dat zij heeft horen zeggen dat de vrouw die de woning huurt met haar man een shoarmazaak in [woonplaats] heeft.

4.4. Gelet op de in 4.3.1 tot en met 4.3.8 weergegeven onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, hebben het dagelijks bestuur en de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat appellanten hun hoofdverblijf in de te beoordelen periode in de woning van appellant hebben gehad. Dat de kinderen de reden van het verblijf van appellante in de woning van appellant waren en dat appellanten verder hun eigen privéleven hebben en hun financiële zaken gescheiden zijn, zoals appellanten hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is. De verklaringen van appellante tijdens haar verhoor, dat zij na de verhuizing van appellant en haar kinderen van het adres [adres 3] naar het adres [adres 2] op het adres [straatnaam 3] is blijven wonen, dat zij nadien op het adres [adres 1] is gaan wonen en dat daar geen andere mensen wonen, zijn gelet op de getuigenverklaringen ongeloofwaardig. Voor zover appellanten van opvatting zijn dat de getuigenverklaringen van de buurtbewoners niet aan de besluitvorming ten grondslag hadden mogen worden gelegd, wordt die opvatting niet gedeeld. De getuigenverklaringen ten aanzien van de drie adressen zijn onafhankelijk van elkaar afgelegd, voldoende concreet en in de kern eensluidend. Dat de observaties slechts een beperkte periode beslaan, is juist, maar dit neemt niet weg dat die aansluiten bij de overige onderzoeksbevindingen.

4.5. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715) is de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Het hof heeft appellante vrijgesproken omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens het hof is aannemelijk geworden dat appellante, die daar aanwezig was om haar kinderen te verzorgen, niet haar hoofdverblijf had op het adres van appellant en is niet gebleken van wederzijdse verzorging. Anders dan appellanten menen betekent dit niet, gelet op 4.2 tot en met 4.4, dat de bestuursrechter in dit geval wel aan het oordeel van de strafrechter zou zijn gebonden.

De terugvordering en medeterugvordering

4.6. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van appellanten dat het dagelijks bestuur het terugvorderingsbedrag had moeten matigen, aangezien het netto resultaat van de onderneming van appellant in de jaren 2007 en 2009 lager was dan de gehuwdennorm, wordt het volgende overwogen.

4.7. Nu vaststaat dat appellante tekort is geschoten in haar wettelijke verplichting tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, was het dagelijks bestuur in beginsel bevoegd de over de betrokken periode gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Uitoefening van deze terugvorderingsbevoegdheid mag in geval van inlichtingenverzuim niet tot uitkomsten leiden die voor appellanten onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met die bevoegdheid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim. In dit verband is het aan appellanten om aannemelijk te maken dat aan hen, ook als appellante haar verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die periode zou zijn verstrekt.

4.8. Appellant is al vele jaren als zelfstandige werkzaam, zodat appellanten een eventueel recht op bijstand alleen aan het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) hadden kunnen ontlenen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt - ook niet aan de hand van de jaarstukken van het bedrijf van appellant - dat, indien appellante wel aan haar inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, aan hen over de thans te beoordelen perioden bijstand naar de norm voor gehuwden voor de kosten van levensonderhoud zou zijn verstrekt op basis van het Bbz 2004. Gelet op de geheel andere systematiek van de verlening van bijstand op grond van de WWB en de verlening van bijstand op grond van het Bbz, in welk kader in eerste instantie sprake is van verlening van bijstand in de vorm van een geldlening, is een reconstructie achteraf van (de omvang van) eventuele aanspraken op een Bbz-uitkering ook niet goed mogelijk. Hierbij komt dat de verklaring van appellant tijdens zijn verhoor op 19 mei 2009, inhoudend dat hij eigenaar is van restaurant IBIS, hij deze zaak nu zestien à zeventien jaar heeft, het een goed lopende zaak is, hij goede inkomsten heeft en hij netto ongeveer € 36.000,-- per jaar verdient, niet erop duidt dat appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De Raad is dan ook van oordeel dat het dagelijks bestuur bij hantering van zijn bevoegdheid tot terugvordering en medeterugvordering niet onevenredig heeft gehandeld.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand gelaten. Deze uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover aangevochten. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is dan ook geen ruimte. De verzoeken daartoe van appellanten dienen daarom te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) T.A. Meijering

HD