Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA2119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
11-7531 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Appellante had ten tijde van de bijstandsverlening aanspraken op een aandeel in de nalatenschap van haar vader en dat, na het vrijkomen van de achtereenvolgende termijnen, in totaal niet meer van haar kon worden teruggevorderd dan haar aan bijstand is verleend. Het feit dat de nalatenschap in termijnen vrijkomt en niet ineens, is een omstandigheid die voor risico van appellante komt. Het college was dan ook niet gehouden ten aanzien van de terugvordering te handelen alsof de nalatenschap in één keer werd uitbetaald. In wat appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een bedrag van € 6.000,-- van appellante terug te vorderen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/132
USZ 2013/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7531 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

25 november 2011, 11/1071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M. Pluijmaeckers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 mei 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 9 februari 2007 is de vader van appellante overleden. Appellante heeft als één van de erfgenamen recht op € 60.000,-- uit de nalatenschap, uit te betalen in tien jaarlijkse termijnen van € 6.000,--, voor de eerste maal in 2008.

1.3. Naar aanleiding van de eerste termijnbetaling van € 6.000,-- in 2008 heeft het college bij besluit van 23 april 2009 de resterende vrije vermogensruimte vastgesteld op € 4.910,--, (€ 10.910,-- minus € 6.000,--). Tevens heeft het college aan appellante meegedeeld dat over de periode van 9 februari 2007 tot 1 januari 2009 een bedrag van € 29.959,89 aan bijstand is verstrekt.

1.4. In december 2009 is voor de tweede maal een bedrag van € 6.000,-- uit de nalatenschap aan appellante uitgekeerd. Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college vastgesteld dat nog een vrij te laten vermogen resteert van € 4.910,--, zodat € 1.090,-- als naderhand verkregen middelen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB van appellante wordt teruggevorderd.

1.5. Het college heeft de bijstand van appellante bij besluit van 1 oktober 2010 met ingang van 17 juli 2010 beëindigd op de grond dat appellante met ingang van die datum betaald werk is gaan verrichten. Voorts is meegedeeld dat nog een schuld ter hoogte van € 1.124,15 resteert.

1.6. In december 2010 ontstond voor appellante recht op de derde termijn uit de nalatenschap. Bij besluit van 22 december 2010 heeft het college een bedrag van € 6.000,-- van appellante teruggevorderd. Daartoe heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het ontvangen vermogen niet kan worden vrijgelaten, omdat de zogeheten vermogensruimte al is verbruikt bij de eerdere besluiten van 23 april 2009 en van 10 februari 2010, dat vanaf 9 februari 2007 tot 17 juli 2010 een bedrag van € 40.520,95 netto aan bijstand aan appellante is uitbetaald, dat daarvan € 1.090,-- is teruggevorderd, zodat een bedrag van € 39.430,95 resteert. Aangezien laatstgenoemd bedrag meer is dan de termijnbetaling in december 2010 van € 6.000,-- wordt dat bedrag van € 6.000,-- met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB als naderhand verkregen middelen teruggevorderd.

1.7. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van het bedrag van € 39.430,95. Zij stelt dat het college, gelet op het besluit van 10 februari 2010, slechts een bedrag van € 1.090,-- mag terugvorderen.

1.8. Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de terugvordering van € 39.430,95 niet-ontvankelijk verklaard omdat dit bedrag niet wordt teruggevorderd, maar slechts uitgangspunt is voor de toekomstig te nemen besluiten. Voorts heeft het college het bezwaar voor zover gericht tegen de terugvordering van € 6.000,-- ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Appellante heeft aangevoerd dat de mededeling in het besluit van 22 december 2010 dat een bedrag van € 39.430,95 resteerde om terug te vorderen, een besluit tot terugvordering van dat bedrag inhoudt, waarmee zij het niet eens is.

4.1.2. Deze beroepsgrond van appellante treft geen doel. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 22 december 2010 niet een besluit tot terugvordering van € 39.430,95 bevat, maar slechts een besluit tot terugvordering van een bedrag van € 6.000,--.

4.2. Appellante heeft ter zitting niet langer betwist dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd is wegens naderhand verkregen middelen het bedrag van € 6.000,-- van appellante terug te vorderen. Zij heeft echter gewezen op het besluit van 1 oktober 2010, waarin is vermeld dat een schuld resteerde van € 1.124,15. Anders dan appellante kennelijk meent, kon zij aan dat besluit echter niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat bij een nieuwe termijnbetaling van de erfenis niet opnieuw een terugvorderingsbesluit zou worden genomen.

4.3.1. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij vanaf 17 juli 2010 geen bijstand meer ontving. Desondanks behandelt het college haar op dezelfde manier als haar broer, die niet is gaan werken en van wie ook € 6.000,-- wordt teruggevorderd. Verder heeft zij gewezen op haar bijzondere financiële en sociale omstandigheden. Doordat de erfenis in termijnen wordt uitbetaald, moet zij nu uiteindelijk een hoger bedrag aan het college terugbetalen, dan wanneer de erfenis in één keer zou zijn uitbetaald en zij op het vermogen had moeten interen. Bovendien heeft zij de zorg voor een kind en kan zij financieel nauwelijks rondkomen. Ten slotte heeft zij gewezen op de mogelijkheid om met toepassing van artikel 58, zevende lid, van de WWB tot een afbetaling ineens te komen.

4.3.2. Dat de broer van appellante nog steeds bijstand ontvangt en appellante sinds 17 juli 2010 niet meer, is een omstandigheid die hier niet van belang is. Het gaat erom dat appellante ten tijde van de bijstandsverlening aanspraken had op een aandeel in de nalatenschap van haar vader en dat, na het vrijkomen van de achtereenvolgende termijnen, in totaal niet meer van haar kon worden teruggevorderd dan haar aan bijstand is verleend. Het feit dat de nalatenschap in termijnen vrijkomt en niet ineens, is een omstandigheid die voor risico van appellante komt. Het college was dan ook niet gehouden ten aanzien van de terugvordering te handelen alsof de nalatenschap in één keer werd uitbetaald. Bij het bestreden besluit kon artikel 58, zevende lid, van de WWB nog geen rol spelen, omdat deze bepaling pas met ingang van 1 januari 2013 in werking is getreden. In wat appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten een bedrag van € 6.000,-- van appellante terug te vorderen.

4.4. Uit 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

IJ