Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
11-6396 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6396 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

26 september 2011, 11/714 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Voor appellant is verschenen mr. Nadaud. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door D.F.M. Janssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 8 juni 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 10 april 2008 naar de norm voor gehuwden.

1.2. Op 6 maart 2008 heeft de regiopolitie Limburg Zuid, district Kerkrade (politie), in de kelder van de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 120 hennepplanten en 427 stengels met wortelresten met potgrond dan wel steenwol. Appellant heeft tegenover de politie verklaard dat de kwekerij voor eigen gebruik was en dat hij verder niets wilde verklaren. De politie heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel, uitgaande van drie voltooide oogsten van 142 planten, berekend en vastgesteld op € 26.146,88. De sociale recherche is van de desbetreffende gegevens in kennis gesteld en heeft een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is gebruik gemaakt van de onderzoeksbevindingen van de politie en is appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 november 2010.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 29 december 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2007 tot en met 6 maart 2008 in te trekken en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 8.997,33 van appellant terug te vorderen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd in zijn woning en van deze activiteiten en de daaruit verkregen inkomsten in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan aan het dagelijks bestuur. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2007 tot en met 6 maart 2008 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat op 6 maart 2008 in de kelder van de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen en dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur.

4.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij alleen voor eigen gebruik kweekte en dat hij wegens zijn ernstige verslaving meer dan vijf hennepplanten nodig heeft. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij geen hennep heeft verkocht en dat hij geen inkomsten heeft gehad uit de kwekerij.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 januari 2009, LJN BH2310), kan bij een hennepkwekerij van ongeveer vijf planten al geen sprake meer zijn van uitsluitend eigen gebruik. Ook in het geval dat appellant, zoals hij stelt, een grootverbruiker zou zijn, wordt het, gezien het aantal van 120 aangetroffen hennepplanten, onaannemelijk geacht dat de gehele opbrengst van de kwekerij voor eigen gebruik is aangewend. Dat geen sprake was van energie-afname buiten de meter om, hetgeen volgens appellant erop wijst dat sprake is van eigen gebruik, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4. Het betoog van appellant dat hij met de hennepteelt niets heeft verdiend, slaagt niet. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, steeds rekening worden gehouden met inkomsten. De hoogte daarvan kan worden bepaald indien van de investeringen in en de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie voorhanden is. Daarvan is in dit geval geen sprake, hetgeen voor risico en rekening van appellant komt. Dat appellant geen administratie hoefde bij te houden omdat hij alleen kweekte voor eigen gebruik, kan gezien het in 4.3 overwogene, niet worden gevolgd.

4.5. Het exploiteren van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van de bijstand. Door geen melding te maken van deze, gelet op de omvang van de kwekerij onmiskenbaar op geld waardeerbare activiteit, heeft appellant het dagelijks bestuur de mogelijkheid ontnomen tijdig een onderzoek te doen instellen naar de exacte omvang van de werkzaamheden, de grootte van de diverse oogsten en de eventueel daaruit voortvloeiende verdiensten. Appellant heeft dan ook de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6. Appellant heeft voorts het oordeel van de rechtbank bestreden dat een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat voorafgaande aan de inval op 6 maart 2008 drie oogsten hebben plaatsgevonden op grond waarvan de periode waarover de bijstand is ingetrokken is bepaald op 1 juli 2007 tot en met 6 maart 2008.

4.7.1. Deze grond slaagt niet. Appellant heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over de aanvang van de exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Evenmin heeft appellant een administratie bijgehouden. Daarmee heeft appellant een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening en risico dienen te blijven. Het dagelijks bestuur is niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door uit te gaan van de datum van 1 juli 2007. Daarbij is van belang dat, naast de 120 aangetroffen hennepplanten, 427 stengels met wortelresten zijn aangetroffen en dat meer potafdrukken op de vloer zichtbaar waren dan de aangetroffen 120 planten, dat uit gegevens van de energieleverancier is gebleken dat het stroomverbruik van appellant in de periode van 2004 tot en met 2008 ruimschoots boven het gemiddelde heeft gelegen en dat appellant hiervoor geen afdoende verklaring heeft gegeven. Uitgaande van een kweekperiode van tien weken per oogst en van een leeftijd van de aangetroffen hennepplanten van ongeveer vier weken oud, is voldoende aannemelijk dat appellant drie eerdere oogsten heeft gehad en dat hij de kwekerij vanaf 1 juli 2007 heeft geëxploiteerd.

4.7.2. De stelling van appellant dat de aangetroffen wortelrestanten van eerdere door de politie bij hem aangetroffen hennepkwekerijen afkomstig zouden zijn geweest, is door appellant niet aannemelijk gemaakt en komt ongeloofwaardig voor. Ook kan niet worden ingezien dat de politie nader onderzoek had moeten doen naar de ouderdom van de wortelrestanten. Dat appellant door de politierechter is veroordeeld voor de exploitatie van een hennepkwekerij gedurende een kortere periode dan de periode waarover de bijstand is ingetrokken, kan appellant niet baten. De bestuursrechter is bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 februari 2011, LJN BP5715). Er bestaan geen bijzondere omstandigheden om hierover in dit geval anders te oordelen. Ten slotte dient het voor rekening en risico van appellant te blijven dat niet nagegaan kan worden wanneer het meerverbruik van energie heeft plaatsgevonden sinds de laatste meterstandopname in 2004, nu appellant nadien de meterstanden niet meer heeft doorgegeven aan de energieleverancier. Overigens wordt het aannemelijk geacht dat, gezien de omvang van de hennepkwekerij en de meterstand op 6 maart 2008, een gedeelte van het meerverbruik heeft plaatsgevonden in de periode in geding.

4.8. Zoals in 4.5 is overwogen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de omstandigheid dat appellante geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden omtrent de exacte omvang van de kwekerij, de oogsten en daaruit ontvangen inkomsten, kan niet meer worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant recht op bijstand had over de hier aan de orde zijnde periode. Het dagelijks bestuur is dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant over de genoemde periode verleende bijstand in te trekken.

4.9. De wijze van uitoefening van die bevoegdheid is niet bestreden. Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het dagelijks bestuur bevoegd is tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. De omstandigheid dat geen ontnemingsvordering is ingesteld, doet daaraan niet af. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien en heeft gewezen op zijn psychische problemen, zijn verslaving en zijn financiële situatie.

4.10. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering voert het dagelijks bestuur het beleid, voor zover hier van belang, dat in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Voor de uitleg van het begrip dringende redenen heeft het dagelijks bestuur aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de Raad. Deze vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005, LJN AT2869) houdt in dat dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Daarvan is in het geval van appellant niet gebleken. In wat appellant heeft aangevoerd zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college van zijn beleid had moeten afwijken. In dit verband wordt nog opgemerkt dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar de bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.11. Uit hetgeen in 4.10 is overwogen vloeit voort dat het dagelijks bestuur in overeenstemming met zijn beleid heeft besloten tot terugvordering.

4.12. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) T.A. Meijering

HD