Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
11/715 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Appellante heeft niet aangetoond dat de loonopgave van de werkgever onjuist was en dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van appellante niet de in artikel 3 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens bedoelde situatie voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/715 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2010, 10/3491 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 7 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

Na afloop van de zitting is het onderzoek heropend omdat het niet volledig is geweest. De Raad heeft het Uwv schriftelijk vragen gesteld die door het Uwv zijn beantwoord. Appellante heeft een reactie ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 april 2010 heeft het Uwv aan appellante, die zich op 15 januari 2010 heeft ziek gemeld en waarvan het dienstverband op 1 april 2010 is beëindigd, met ingang van 1 april 2010 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend, berekend naar een dagloon van € 58,70. Bij besluit van 16 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 april 2010 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van het door de werkgever opgegeven loon sociale verzekeringswetten (SV-loon) dat appellante in de voor haar geldende referteperiode - die loopt van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 - heeft genoten.

2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat ondanks dat zij een arbeidsovereenkomst had voor 15 uur per week, zij structureel meer uren heeft gewerkt per week. Deze gegevens zijn bij de belastingdienst en het Uwv niet bekend. Appellante verwijst naar de volgens haar door haar voormalig werkgever ingevulde werkbriefjes, waarop is vermeld hoeveel uren per week naast haar contracturen contant zijn uitbetaald. Daarnaast wijst zij op de verklaring van [v.G.] die heeft verklaard dat appellante iedere week op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 09.00 tot 15.00 uur werkzaamheden verrichtte. Appellante stelt dat ook het niet door de werkgever aan de belastingdienst verantwoorde loon betrokken moet worden bij de dagloonberekening. Dat moet leiden tot een hoger dagloon en dus tot een hogere ZW-uitkering.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, wegens gewerkte en uitbetaalde overuren, een hoger loon heeft ontvangen dan uit de polisadministratie van het Uwv blijkt. Onduidelijk is op welk jaar de werkbriefjes betrekking hebben, door wie ze zijn opgemaakt en of de vermelde bedragen daadwerkelijk aan appellante zijn uitbetaald. De rechtbank is van oordeel dat deze werkbriefjes noch aantonen, noch ook maar enigszins aannemelijk maken dat appellante overwerk heeft verricht. Dat wordt volgens de rechtbank niet zonder meer anders als vaststaat dat de werkgever een niet geheel juiste loonadministratie heeft gevoerd (CRvB 6 september 1989, LJN AK8887). Appellante heeft immers zelf berust in het ontvangen van loonstroken waarop het loon dat zij zegt te hebben ontvangen, niet geheel is verantwoord (CRvB 6 november 1995, LJN ZB5933).

4.1. In hoger beroep heeft appellante gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de verklaring van [v.G.]. De werkbriefjes zijn opgemaakt over de weken 13 tot en met 52 van het jaar 2008 en de weken 1 tot en met 52 van het jaar 2009. Daarnaast heeft zij twee brieven van haar (voormalig) werkgever ingediend van 2 juni 2010 en 15 november 2010 waaruit volgens appellante blijkt dat er een overwerkvergoeding werd betaald. Volgens de werkbriefjes werkte zij gemiddeld 23,66 uur per week en is de omvang van haar dienstverband op grond van artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek gelijk aan het gemiddelde van de voorafgaande drie maanden. Ook tijdens ziekte was haar werkgever verplicht om deze uren uit te betalen. In maart 2012 heeft de werkgever een bedrag van € 2.191,21 bruto nabetaald. Dit is een nabetaling van de overuren over de periode van 1 januari 2010 tot en met maart 2010, die zij niet kon werken vanwege haar ziekmelding. Deze nabetaling moet ook worden meegenomen bij de vaststelling van het dagloon. Bovendien kan uit deze nabetaling afgeleid worden dat zij inderdaad structureel meer uren werkte dan 15 uur per week. De rechtbank heeft volgens haar dan ook ten onrechte geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat zij in de referteperiode overwerk heeft verricht.

4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In hoger beroep is nog steeds onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat over de referteperiode een hoger bedrag aan loon door de werkgever is uitbetaald. In de brief van de werkgever van 15 november 2011 is weliswaar vermeld dat er verschillende keren is overgewerkt, maar op welke periode(n) dit betrekking heeft wordt niet duidelijk. Bovendien wordt vermeld dat er beslist geen sprake was van structureel overwerk. Daarnaast was het aantal keren dat appellante daarvoor betaald kreeg volgens de werkgever beperkt, omdat zij daarnaast op andere tijden vrije tijd zou hebben opgenomen. Een werknemer mag van haar werkgever vorderen dat die op voldoende controleerbare en verantwoorde wijze verantwoording aflegt voor de aan de werknemer gedane betalingen. Een werknemer die daarvan afziet laadt het risico op zich dat niet nader te bewijzen of aannemelijk te maken betalingen van de werkgever buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het dagloon. Het Uwv is met de rechtbank van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Desgevraagd stelt het Uwv zich op het standpunt dat op die grond zich ten aanzien van appellante niet de in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens (Beleidsregels), voorziene situatie voordoet dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Tussen partijen is in geschil of het Uwv aan de ZW-uitkering van appellante een juist bedrag aan dagloon ten grondslag heeft gelegd.

5.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de ZW wordt voor de berekening van de uitkering als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van een dag. Volgens het tweede lid van artikel 15 van de ZW, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Deze regels zijn gesteld bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit). Artikel 1, eerste lid, onder j, van het Besluit verstaat onder loon, het loon bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf 1, van de Wfsv. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van deze wet wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Volgens artikel 10, eerste lid, van deze wet is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Ingevolge artikel 2, eerste lid van het Besluit wordt voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

5.3. Volgens artikel 2 van de Beleidsregels dient het Uwv, behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon en het maatmanloon gebruik te maken van de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels moet het Uwv, indien het vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gebruik maken van gegevens uit een andere bron. Uit de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregels komt naar voren dat, als het Uwv heeft vastgesteld dat een gegeven in de polisadministratie niet kan worden gebruikt, omdat de werknemer aantoont dat een gegeven onjuist is, de werkgever alsnog een gecorrigeerde loonaangifte zal moeten doen, opdat het Uwv met het juiste loon rekening kan houden.

5.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv het dagloon heeft vastgesteld in overeenstemming met artikel 15 van de ZW en de relevante bepalingen van het Besluit en dat appellante niet heeft aangetoond dat de opgave van de werkgever onjuist is.

5.5. De rechtbank heeft terecht aan de door appellante ingediende gedingstukken zoals besproken in 2 niet die betekenis toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien en de in 4.1 vermelde gedingstukken kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Onduidelijk is op welk jaar de werkbriefjes betrekking hebben, door wie ze zijn opgemaakt en of de vermelde bedragen daadwerkelijk door de werkgever aan appellante zijn betaald. De verklaring van [v.G.] komt niet overeen met de brief van de werkgever van 15 november 2010 waarin is vermeld dat er geen sprake was van structureel overwerk. Voor het overwerk dat is verricht werd appellante volgens de werkgever ofwel uitbetaald, ofwel gecompenseerd in vrije tijd. De door appellante ingediende salarisberekening over de periode 1 januari 2010 tot en met maart 2010 is niet gespecificeerd. Deze nabetaling levert ook geen toereikend bewijs wanneer zij heeft overgewerkt en wanneer zij hiervoor contante betalingen van haar werkgever heeft ontvangen tijdens het refertejaar. Voor het overige betreft het een betaling die betrekking heeft op een periode na het refertejaar, zodat deze betaling niet kan worden meegenomen bij de onderhavige dagloonberekening.

5.6. Voor zover appellante meent wel aannemelijk te hebben gemaakt dat haar wel meer loon is betaald, kan het meerdere dat niet verantwoord is aan de belastingdienst, niet gelden als een gegeven waarvan in de zin van de Beleidsregel is aangetoond, dat het onjuist is. Volgens de arbeidsovereenkomst bedroeg de werktijd 15 uur per week en deze uren heeft de werkgever aangegeven bij de belastingdienst. Daarnaast hebben werkgever en werknemer in de arbeidsovereenkomst verklaard dat er geen andere afspraken zijn gemaakt dan die welke in deze overeenkomst zijn vastgelegd en dat wijzigingen of aanvulling van deze overeenkomst alleen schriftelijk in tweevoud kan geschieden. Appellante heeft desondanks de werkgever - noch het Uwv - tijdens het dienstverband gewezen op een discrepantie tussen het - naar haar zeggen - daadwerkelijk ontvangen loon en het aangegeven loon. Noch heeft zij bewijs geleverd dat zij de werkgever tijdens de referteperiode heeft gesommeerd de arbeidsovereenkomst te wijzigen.

5.7. Hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.6 betekent dat appellante niet heeft aangetoond dat de loonopgave van de werkgever onjuist was en dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich ten aanzien van appellante niet de in artikel 3 van de Beleidsregels bedoelde situatie voordoet.

5.8. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) G.J. van Gendt

NW