Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
11-1955 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verlening van bijstand met ingang van een eerdere datum. Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand taxatiekosten. Niets stond appellant eraan in de weg om na 30 augustus 2007 alsnog een aanvraag om bijstand in te dienen. Vaststaat dat appellant de aanvraag om bijzondere bijstand niet binnen een jaar na 31 augustus 2007 - datum factuur - heeft ingediend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om medische redenen buiten staat was om die aanvraag in de periode van 31 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2008 in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1955 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 februari 2011, 10/187 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

Datum uitspraak 4 juni 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2013. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 12/4814 WWB. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A.T.M. Brouns. In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 11 september 2000 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft bij besluit van 6 juni 2007 de bijstand van appellant met ingang van 11 september 2000 ingetrokken op de grond, kort samengevat, dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van vermogen in de vorm van paarden en inkomsten als paardenfokker. Op 25 juli 2007 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Het college heeft appellant vervolgens bij brief van 16 augustus 2007 uitgenodigd voor een intakegesprek op 23 augustus 2007, met het verzoek om een aantal gegevens mee te nemen, waaronder twee taxatierapporten van de boten die in zijn bezit zijn. Het intakegesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 30 augustus 2007. In het van het intakegesprek opgemaakte verslag staat, voor zover van belang, dat in afwachting van de bezwaarprocedure - die ziet op de intrekking van de bijstand - geen gegevens zijn ingenomen en dat appellant heeft meegedeeld dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden.

1.2. Appellant heeft in augustus 2007 zijn boot ‘[naam boot]’ laten taxeren. De factuur van 31 augustus 2007 van € 357,-- voor deze taxatie heeft appellant op 23 oktober 2007 voldaan.

1.3. Appellant heeft zich op 9 april 2007 wederom gemeld om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Tijdens het daaropvolgende intakegesprek op 24 april 2007 heeft appellant ervan afgezien een bijstandsaanvraag in te dienen.

1.4. Op 16 juni 2009 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Tijdens het daaropvolgende intakegesprek op 24 juni 2009 heeft appellant bijstand aangevraagd met terugwerkende kracht tot 1 mei 2007. Daarbij heeft hij tevens bijzondere bijstand aangevraagd voor de in 1.2 vermelde taxatiekosten.

1.5. Bij besluit van 18 augustus 2009 heeft het college appellant bijstand verleend met ingang van 16 juni 2009. Voor zover appellant bijstand met ingang van eerdere datum heeft aangevraagd, heeft het college zijn bijstandsaanvraag afgewezen. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant tijdens het intakegesprek op 30 augustus 2007 geen aanvraag om bijstand heeft ingediend en tijdens het intakegesprek op 24 april 2007 heeft afgezien van het indienen van een aanvraag om bijstand. Bij het besluit van 18 augustus 2009 heeft het college tevens de aanvraag om bijzondere bijstand voor de gemaakte taxatiekosten afgewezen op de grond dat appellant deze aanvraag niet tijdig heeft ingediend en deze kosten bovendien al heeft voldaan.

1.6. Bij besluit van 29 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 18 augustus 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingangsdatum algemene bijstand

4.1. Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Tijdens het intakegesprek op 30 augustus 2007 is druk op hem uitgeoefend om een aanvraag om bijstand achterwege te laten. Het college heeft hem dan ook van een aanvraag afgehouden. Het college heeft miskend dat er wel degelijk op 30 augustus 2007 een aanvraag is ingediend. Door te overwegen dat appellant op die aanvraag had moeten terugkomen, heeft de rechtbank de verantwoordelijkheid van het college in dezen miskend. De omstandigheden waarin appellant verkeerde ten tijde van de bijstandsaanvraag van 30 augustus 2007 zijn identiek aan die ten tijde van de aanvraag van 16 juni 2009.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad over de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690 en CRvB 12 juni 2012, LJN BW8362) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of in voorkomende gevallen een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het UWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3. Appellant heeft zich op 25 juli 2007 gemeld met de intentie om bijstand aan te vragen. Gelet op het verslag van het intakegesprek op 30 augustus 2007 en de verklaring die getuige [getuige 1] (F) ter zitting van de rechtbank heeft afgelegd, kan voorts als vaststaand worden aangenomen dat appellant op 30 augustus 2007 geen bijstandsaanvraag heeft ingediend. F heeft namelijk, voor zover van belang, verklaard: “Op de vraag of [appellant] een uitkering kon aanvragen, werd geantwoord dat eerst overleg nodig was. De heer [H.] kwam terug en zei vervolgens dat een aanvraag niet mogelijk was, omdat er nog een geschil liep met de gemeente Roermond. Daarop zijn we weer vertrokken.”

4.4. Ter zitting van de rechtbank heeft de vertegenwoordiger van het college uiteengezet dat op 30 augustus 2007 met appellant is besproken of het wel zinvol was een bijstandsaanvraag in te dienen, aangezien appellant te kennen had gegeven dat zijn omstandigheden niet waren gewijzigd ten opzichte van de omstandigheden die tot intrekking van de bijstand met ingang van 11 september 2000 hadden geleid. Gelet hierop en gezien de in 4.3 opgenomen verklaring van F, moet er vanuit worden gegaan dat appellant, anders dan het college stelt, op 30 augustus 2007 is afgehouden van het indienen van een bijstandsaanvraag. De Raad ziet echter geen aanleiding om daaraan consequenties te verbinden, aangezien appellant na 30 augustus 2007 te veel tijd heeft laten verstrijken alvorens opnieuw actie te ondernemen. Appellant heeft zich immers pas weer op 9 april 2009 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Hij heeft er toen echter zelf van afgezien om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Vervolgens heeft hij zich op 16 juni 2009 weer gemeld en pas toen daadwerkelijk een bijstandsaanvraag ingediend. Niets stond appellant eraan in de weg om na 30 augustus 2007 alsnog een aanvraag om bijstand in te dienen. Dat de raadsman van appellant hierin wellicht nalatig is geweest, komt voor rekening van appellant.

4.5. Uit 4.4 volgt dat het college de bijstandsaanvraag van appellant, voor zover het betreft de verlening van bijstand met ingang van een eerdere datum dan 16 juni 2009, op goede gronden heeft afgewezen.

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand taxatiekosten

4.6. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hij, gezien zijn ernstige fysieke en mentale toestand, niet in staat is geweest om tijdig, dat wil zeggen, uiterlijk op 31 augustus 2008, een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen.

4.7. Vaststaat dat de taxatiekosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd, in augustus 2007 zijn gemaakt en in oktober 2007 zijn voldaan. Dit betekent dat reeds ruim vóór de datum van aanvraag - 16 juni 2009 - is voorzien in taxatiekosten. Gelet op artikel 11, eerste lid, van de WWB is in die situatie in beginsel geen plaats voor bijstandsverlening in die kosten.

4.8. Het college heeft in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel bijzondere bijstand (Beleidsregel) opgenomen dat een aanvraag om bijzondere bijstand zo spoedig mogelijk moet worden ingediend, maar uiterlijk binnen de termijn van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum van de factuur. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat ook in de situatie dat de kosten vóór de aanvraag zijn voldaan bijstand kan worden verleend, mits de aanvraag maar is ingediend binnen een jaar na de factuurdatum. Voorts heeft de vertegenwoordiger van het college toegelicht dat van deze termijn kan worden afgeweken met toepassing van artikel 23 van de Beleidsregel in de situatie dat de betrokkene - bijvoorbeeld - om medische redenen niet in staat is geweest tijdig een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen.

4.9. De rechtbank heeft het in 4.8 omschreven beleid van het college terecht gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 12 juli 2011, LJN BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4.10. Vaststaat dat appellant de aanvraag om bijzondere bijstand niet binnen een jaar na 31 augustus 2007 - datum factuur - heeft ingediend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om medische redenen buiten staat was om die aanvraag in de periode van 31 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2008 in te dienen. Hij heeft in beroep wel medische stukken ingediend, waaronder een huisartsenjournaal, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat zijn fysieke en mentale toestand zodanig was dat hij niet in staat was een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Het college heeft met de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook gehandeld in overeenstemming met zijn beleid. De door appellant naar voren gebrachte omstandigheid dat hij de taxatiekosten heeft moeten maken, omdat het college uitdrukkelijk heeft verzocht om een taxatierapport, doet er niet aan af dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in overeenstemming is met het in 4.8 omschreven, buitenwettelijk begunstigend beleid van het college.

4.11. Uit 4.7 tot en met 4.10 volgt dat het college ook deze aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

de griffier is buiten staat om te tekenen

ew