Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
12-3616 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Niet betwist is dat appellante van 2 januari 2006 tot 17 juli 2006 in het geheel geen en vanaf 17 juli 2006 voor een te gering aantal uren melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden als zelfstandige en op de werkbriefjes geen of te weinig uren heeft gemeld. Dat zij haar werkzaamheden anderszins heeft gemeld aan het Uwv is niet gebleken. Appellante heeft haar stelling dat het Uwv van die werkzaamheden op de hoogte was niet onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan appellantes beroep op onvoldoende voorlichting door het Uwv met betrekking tot indirecte uren haar niet baten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3616 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juni 2012, 12/236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft van 15 maart 2005 tot 15 maart 2007 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen, berekend naar een arbeidsurenverlies van 24 per week. Met ingang van 15 maart 2005 is haar een oriëntatieperiode van drie maanden toegekend ten behoeve van de start van een eigen bedrijf. Uit een evaluatierapportage van re-integratiebedrijf Agens van 20 juni 2006 is gebleken dat appellante sinds januari 2006 werkzaam is als zelfstandige, maar de daarmee gemoeide uren niet heeft opgegeven aan het Uwv. Uit een bestandsvergelijking met de belastingdienst is gebleken dat appellante gedurende de WW-periode zelfstandigenaftrek heeft genoten. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de WW-uitkering, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 6 april 2009.

1.2. Uit het rapport van 6 april 2009 heeft het Uwv afgeleid dat appellante vanaf 2 januari 2006 gedurende 25 uur per week werkzaam was als zelfstandige en daarom met ingang van die dag geen recht meer had op een WW-uitkering. Bij besluit van 28 april 2009 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante daarom ingetrokken met ingang van 2 januari 2006 en de van 2 januari 2006 tot en met 18 maart 2007 aan haar betaalde uitkering ten bedrage van € 21.671,77 als onverschuldigd betaald van haar teruggevorderd. Bij besluit van 4 september 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 april 2009 ongegrond verklaard.

1.3. Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het Uwv in het project “Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering” is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In dat kader is op 16 juli 2010 een handleiding opgesteld met een bijlage met toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van eerder ten aanzien van ZZP-ers genomen besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete (bijlage bij Kamerstukken II, 32 500-XV, nr. 5, hierna: Handleiding).

1.4. Bij brief van 9 maart 2010 heeft het Uwv appellante erop gewezen dat zij om herziening kan vragen als voor haar geldt dat zij door één of meer medewerkers van het Uwv onjuist is voorgelicht. Naar aanleiding hiervan heeft appellante het Uwv op 26 maart 2010 een verzoek om herziening ingediend. Appellante heeft aangevoerd dat de voorlichting van het Uwv onjuist is geweest, waardoor zij alleen directe uren heeft opgegeven en geen indirecte uren.

1.5. Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het Uwv het verzoek om herziening afgewezen. Het Uwv heeft berekend dat appellante, gezien haar omzet over 2006 en haar uurtarief, over 2006 gemiddeld 46,10 directe, betaalde uren per week heeft gewerkt. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 januari 2011 is, na voorlegging aan de Bezwaaradviescommissie ZZP, bij beslissing op bezwaar van 5 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft gesteld dat appellante tot 17 juli 2006 de op de werkbriefjes gestelde vraag of zij heeft gewerkt steeds ontkennend heeft beantwoord en vanaf 17 juli 2006 evident te weinig uren heeft opgegeven. Naar de mening van het Uwv kunnen de onjuiste beantwoording en opgave niet het gevolg zijn van onvoldoende adequate informatie van de zijde van het Uwv en komt appellante geen beroep op onvoldoende voorlichting ten aanzien van de indirecte uren toe.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Raad van 1 februari 2012, LJN BV2381, overwogen dat het bestreden besluit niet kan worden getoetst als betrof het een oorspronkelijk besluit, omdat het besluit van 4 september 2009 rechtens onaantastbaar is geworden. De rechtbank heeft zich daarom beperkt tot de beoordeling of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had moeten zien het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is geweest en dat daarom niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de herziening en de terugvordering te handhaven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de afwijzing van haar verzoek om herziening in strijd is met de Handleiding, omdat de informatievoorziening door het Uwv onvoldoende is geweest. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het Uwv wist of had kunnen weten dat zij in de betreffende periode werkzaamheden als zelfstandige verrichtte.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. In zijn uitspraak van 31 oktober 2012, LJN BY1787, heeft de Raad overwogen dat de Handleiding een aantal nieuwe algemene regels bevat, die door de Raad zijn aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat jegens belanghebbenden op consistente wijze moet worden toegepast. Met dat beleid is in de daarvoor in aanmerking komende gevallen wijziging of herroeping van eerder genomen besluiten uitdrukkelijk beoogd, ook indien die besluiten al in rechte onaantastbaar zijn geworden. Anders dan in zijn door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 1 februari 2012 is de Raad, gelijk hij in zijn uitspraak van 31 oktober 2012 heeft overwogen, van oordeel dat bij een wijziging in het recht, als hier aan de orde, de bestuursrechter de motivering van het bestreden besluit kan toetsen aan dat gewijzigde recht en kan beoordelen of gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om herziening in overeenstemming met de Handleiding is.

4.1.2. Het bestreden besluit is het resultaat van een herbeoordeling volgens de in de Handleiding omschreven criteria. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de rechtbank een te beperkte toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.

4.2. Niet betwist is dat appellante van 2 januari 2006 tot 17 juli 2006 in het geheel geen en vanaf 17 juli 2006 voor een te gering aantal uren melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden als zelfstandige en op de werkbriefjes geen of te weinig uren heeft gemeld. Dat zij haar werkzaamheden anderszins heeft gemeld aan het Uwv is niet gebleken. Appellante heeft haar stelling dat het Uwv van die werkzaamheden op de hoogte was niet onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan appellantes beroep op onvoldoende voorlichting door het Uwv met betrekking tot indirecte uren haar niet baten. De afwijzing van het verzoek om herziening is dan ook in overeenstemming met de Handleiding.

4.3. Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.E.P.M. Bary