Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
11-7462 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er valt geen rechtsregel aan te wijzen die de staatssecretaris verplicht om oud-UWV-werknemers die in 2006 geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen het besluit waarin hun afkoopsom is vastgesteld, op enigerlei wijze te compenseren. Toepassing artikel 4:6 Awb. Geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Wat betreft het beroep van appellant op het convenant van 4 februari 2005 dat was gesloten tussen de bestuurders van de Belastingdienst en het UWV aan de ene kant en de vakbonden aan de andere kant, en het vertrouwen op volledige compensatie dat hij daaraan meent te ontlenen, geldt volgens vaste rechtspraak dat individuele ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken niet ontlenen aan een (arbeidsvoorwaarden)akkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften of genomen besluiten. in dit geval het besluit van 27 juni 2006. In het laatstgenoemd besluit heeft appellant berust. Ook die beroepsgrond slaagt dus niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7462 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 november 2011, 10-4129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 11/7464 AW, plaatsgevonden op 18 april 2013. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Van de Wetering. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.H. Sijben.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). In verband met de overheveling van de bevoegdheid ten aanzien van premieheffing en -inning sociale verzekering van het UWV naar de Belastingdienst, zijn plm 800 medewerkers, waaronder appellante, per 1 januari 2006 overgegaan naar de Belastingdienst. Ten aanzien van die overgang is met de vakbonden afgesproken dat eventuele negatieve effecten van de inschaling in de salarissfeer op het moment van de overgang, worden vergolden met een afkoopsom, die wordt uitbetaald bij de eerste salarisbetaling door de Belastingdienst.

1.2. Appellante heeft in januari 2006 een afkoopsom ontvangen. Bij besluit van 2 juni 2006 heeft appellante een eindafrekening ontvangen. In dat besluit is vermeld dat eventuele onvolkomenheden in de vorige berekening met betrekking tot het percentage bijzonder tarief in de nieuwe berekening zijn meegenomen. Appellante heeft in dat besluit berust.

1.3. Op 8 april 2010 en 22 juli 2010 heeft de Raad (LJN BM2335 en BM2342) in een vijftal zaken van collega’s van appellante beslist dat in de berekening van de afkoopsommen is uitgegaan van een foutief percentage bijzonder tarief. Ter uitvoering van die uitspraak hebben die collega’s een (flinke) nabetaling ontvangen.

1.4. Bij besluit van 16 december 2010 heeft de staatssecretaris aan onder meer appellante uit coulance op grond van goed werkgeverschap een tegemoetkoming van € 500,- bruto nabetaald.

1.5. Na bezwaar heeft de staatssecretaris dit besluit bij besluit van 9 juni 2011 (bestreden besluit) gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de afkoopsommen in 2006 bij besluit zijn vastgesteld en in rechte vaststaan, nu appellante daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld. Er is dus geen verplichting om de afkoopsommen te herzien of een financiële tegemoetkoming uit te betalen. De uitspraken van 8 april 2010 kunnen op grond van vaste rechtspraak niet aangemerkt worden als nieuw gebleken feiten of omstandigheden die nopen tot herziening van de afkoopsommen. In overleg met de vakcentrales is niettemin besloten aan alle oud-UWV-medewerkers die een afkoopsom hebben ontvangen en op 1 december 2010 in dienst zijn, uit coulance op grond van goed werkgeverschap eenmalig een bedrag van € 500,- bruto toe te kennen. Dat appellante het met de hoogte van de

coulancebetaling niet eens is en het oneens is met de keuze om de coulancebetaling aan alle oud-UWV-werknemers plaats te laten vinden, maakt dat niet anders. Dat appellante erop heeft vertrouwd dat de afkoopsom juist zou zijn berekend doet niet af aan de mogelijkheid om tegen het besluit rechtsmiddelen aan te wenden. Voorts is het geval van appellante niet gelijk aan dat van de collega’s die wel en met succes rechtsmiddelen hebben aangewend. Van schending van andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur waardoor alsnog zou moeten worden teruggekomen op het in rechte vaststaande besluit van 2 juni 2006 is volgens de staatssecretaris geen sprake.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Er valt geen rechtsregel aan te wijzen die de staatssecretaris verplicht om oud-UWV-werknemers die in 2006 geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen het besluit waarin hun afkoopsom is vastgesteld, op enigerlei wijze te compenseren. Er is dus sprake van een ongevraagd begunstigend besluit. Het besluit om appellante een tegemoetkoming van (slechts) € 500,- toe te kennen en haar niet verdergaand te compenseren, berust op de in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement gegeven discretionaire bevoegdheid om naar billijkheid de ambtenaar schadeloos te stellen, kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming te verlenen. Deze bevoegdheid brengt een grote mate van beoordelingsvrijheid met zich mee. Een besluit met toepassing van die bevoegdheid kan door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst.

3.2. Gelet op de onder 1.5 weergegeven redenen om appellante geen andere of hogere vergoeding toe te kennen dan € 500,- bruto, kan bij terughoudende toetsing niet worden gezegd dat de staatssecretaris daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen komen dan wel dat hij daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Dat daarbij aan collega’s van appellante voor wie de eindafrekening van de afkoopsom minder nadelig had uitgepakt eveneens een tegemoetkoming is gegeven van € 500,- bruto, maakt, nu de staatssecretaris tot geen enkele tegemoetkoming verplicht was, het besluit ten aanzien van appellante niet onjuist. Het hoger beroep kan in zoverre niet slagen.

3.3. Zoals blijkt uit het bestreden besluit, zijn de bezwaren die appellante tegen het besluit van 16 december 2010 heeft aangevoerd door de staatssecretaris mede gelezen als een verzoek – in de bezwaarfase - om (volledige) reparatie van het besluit van 2 juni 2006. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris daarover overwogen dat naar vaste rechtspraak in een dergelijk geval toepassing moet worden gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de uitspraken van 8 april 2010 niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of omstandigheden die nopen tot reparatie van het besluit van 2 juni 2006. Verwezen is daarbij naar uitspraken van de Raad, LJN AR5648 en BJ7887.

3.4. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven en ook de Raad acht een beoordeling met analoge toepassing van artikel 4:6 van de Awb juist. Hij onderschrijft dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot herziening van de eindafrekening van 2 juni 2006.

3.5. Wat betreft het beroep van appellante op de toezegging die volgens haar besloten ligt in het convenant van 4 februari 2005 dat was gesloten tussen de bestuurders van de Belastingdienst en het UWV aan de ene kant en de vakbonden aan de andere kant, geldt volgens vaste rechtspraak dat individuele ambtenaren hun rechtspositionele aanspraken niet ontlenen aan een (arbeidsvoorwaarden)akkoord, maar aan ter bepaling van hun rechtspositie gegeven algemeen verbindende voorschriften of genomen besluiten (CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119, en CRvB 1 oktober 2009, LJN BK0687 en TAR 2010, 21), in dit geval het besluit van 2 juni 2006. In het laatstgenoemd besluit heeft appellante berust. Ook die beroepsgrond slaagt dus niet.

4. Uit 3.1. tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen

(getekend) B. Rikhof

HD