Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
11-3199 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister is alle afspraken die in de overeenkomst zijn neergelegd nagekomen. Ook de na het ontslagbesluit gedane verzoeken van appellant, waarover in de overeenkomst geen duidelijke afspraken waren gemaakt, zoals bijvoorbeeld het betalen van de BHV-toelage, toezenden van de cijferlijsten van de door appellant gevolgde opleidingen, inzage in het personeelsdossier en verstrekken van sportkleding heeft de minister zoveel mogelijk gehonoreerd. Geconcludeerd wordt dan ook dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die herziening van het ontslagbesluit rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1509
ABkort 2013/208
JB 2013/154 met annotatie van A.M.M.M. Bots
USZ 2013/249
JIN 2013/149 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3199 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

19 mei 2011, 11/210 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie]. Nadat er een verschil van inzicht was ontstaan over de wijze van functioneren van appellant, hebben partijen eind juli 2009 een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband gesloten. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft de minister appellant bij besluit van 1 augustus 2009 met ingang van 1 augustus 2010 ontslag verleend met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 14 september 2010 heeft de minister het verzoek van appellant terug te komen van het ontslagbesluit afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2010 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door ter zitting van 4 mei 2011 de zaak inhoudelijk beknopt te behandelen en door hem na deze zitting geen gelegenheid meer te geven zijn standpunt in een nadere zitting toe te lichten. In de aan partijen toegezonden uitnodiging voor deze zitting is vermeld dat de behandeling van de zaak in beginsel het karakter zal hebben van een regiezitting en dat in deze zitting voorop staat dat er zo mogelijk na de behandeling ter zitting een definitief einde aan het geschil komt. Indien het voor (de gemachtigde van) appellant niet duidelijk was wat zo’n regiezitting inhield en wat van hem op die zitting verwacht werd, had hij vooraf navraag kunnen doen bij de rechtbank. Uit het proces-verbaal van de zitting van 4 mei 2011 blijkt niet dat appellant onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt mondeling toe te lichten. Verder biedt de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet de mogelijkheid de rechtbank te wraken door middel van het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, zoals appellant heeft gedaan.

3.2. Het ontslagbesluit van 1 augustus 2009 is in rechte onaantastbaar geworden. De minister heeft dan ook het verzoek van appellant van begin augustus 2010 terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat ontslagbesluit. Naar vaste rechtspraak van de Raad brengt een beoordeling in dat kader mee dat de rechter het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt dient te nemen en zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijk besluit te herzien.

3.3. Appellant heeft betoogd dat de overeenkomst onder zodanig hoge tijdsdruk tot stand is gekomen, dat in feite geen sprake is van wilsovereenstemming. Daarin had de minister volgens appellant aanleiding moeten zien het ter uitvoering van die overeenkomst genomen ontslagbesluit te herzien. Het gestelde gebrek in wilsovereenstemming betreft evenwel geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid die appellant niet reeds in een bezwaarprocedure tegen het ontslagbesluit had kunnen aanvoeren. Los daarvan is niet aannemelijk geworden dat appellant, die zich ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst al van juridische bijstand had voorzien, zich door (ontoelaatbare) druk van de minister gedwongen heeft gezien met de afspraken over de beëindiging van zijn dienstverband akkoord te gaan.

3.4.1. Appellant heeft voorts betoogd dat de tekortkomingen van de minister in de uitvoering van de overeenkomst als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb moeten worden aangemerkt. Daarbij heeft appellant zich onder meer beroepen op punt 19 van de overeenkomst waarin is bepaald dat bij het niet nakomen door partijen van de bepalingen van die overeenkomst alle aanspraken vervallen. Door de tekortkomingen van de minister kan dan ook het ter uitvoering van de overeenkomst genomen ontslagbesluit volgens appellant niet in stand blijven.

3.4.2. Vaststaat dat bij de uitvoering van de overeenkomst vertraging is ontstaan in de betaling van de overeengekomen vergoeding van gemaakte kosten van € 4.500,- en in de betaling van de onregelmatigheidstoeslag. Dat zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden, die de minister aanleiding hadden moeten geven terug te komen van het ontslagbesluit. Nadat appellant de minister in oktober 2009 erop had gewezen dat bedoelde bedragen nog niet aan hem waren betaald, heeft de minister hem bericht dat sprake was van een administratieve omissie. Kort nadien is de vergoeding van € 4.500,- aan appellant betaald en vanaf december 2009 is de onregelmatigheidstoeslag aan appellant (na)betaald. De toen volgens de minister te veel betaalde onregelmatigheidstoeslag is niet van appellant teruggevorderd. De minister heeft voor de late betalingen zijn excuses gemaakt, herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat van enige onwil geen sprake was en appellant € 1.500,- aan vergoeding van advocaatkosten aangeboden. Voorts is in aanmerking genomen dat appellant, nadat hij had geconstateerd dat bedoelde bedragen nog niet waren betaald, zich niet heeft beroepen op het bepaalde in punt 19 van de overeenkomst.

3.4.3. De minister is alle afspraken die in de overeenkomst zijn neergelegd nagekomen. Ook de na het ontslagbesluit gedane verzoeken van appellant, waarover in de overeenkomst geen duidelijke afspraken waren gemaakt, zoals bijvoorbeeld het betalen van de BHV-toelage, toezenden van de cijferlijsten van de door appellant gevolgde opleidingen, inzage in het personeelsdossier en verstrekken van sportkleding heeft de minister zoveel mogelijk gehonoreerd. Geconcludeerd wordt dan ook dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die herziening van het ontslagbesluit rechtvaardigen.

3.5. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen

(getekend) B. Rikhof

HD