Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
11-1382 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim. Met de diensttelefoon op kosten van de IND intensief en langdurig voor privédoeleinden telefoneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1382 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

14 januari 2011, 10/631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak: 30 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.M. Klatten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.J.C. Kraan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine, E. Adriaansen-van Wijk en Chr. Andree.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die van Nigeriaanse afkomst is, was tot 20 juli 2009 werkzaam als [naam functie] op de afdeling [naam afdeling] bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In oktober/november 2007 heeft hij tijdelijk ook gewerkt bij de afdeling Financiën van de IND.

1.2. Na signalen over frequent en langdurig telefoneren naar 0900-nummers binnen de IND heeft het Bureau Veiligheid & Integriteit (BV&I) een intern onderzoek laten instellen over de laatste drie maanden van 2007. Daaruit kwam onder meer naar voren dat met het telefoontoestel dat op naam van appellant is gesteld (9572) op grote schaal gebruik werd gemaakt van 0900-nummers waarmee naar het buitenland kan worden gebeld. In het kader van het onderzoek heeft BV&I leidinggevende A en een medewerker van de afdeling Financiën van M&C gehoord.

1.3. De leidinggevenden van appellant hebben hem in een gesprek op 29 december 2008 met de bevindingen van het onderzoek geconfronteerd. Aan het einde van dat gesprek is appellant feitelijk de toegang tot de gebouwen ontzegd. Dit is bevestigd bij besluit van 30 december 2008.

1.4. In het kader van een vervolgonderzoek heeft BV&I het telefoonverkeer met het toestel van appellant over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 juli 2008 in kaart gebracht.

1.5. Na daartoe op 4 mei 2009 een voornemen kenbaar te hebben gemaakt en appellant in de gelegenheid te hebben gesteld hierover zijn bedenkingen in te brengen, heeft de minister bij besluit van 10 juli 2009 appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 20 juli 2009 disciplinair ontslag verleend. De minister stelt zich op het standpunt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde plichtsverzuim, inhoudende dat hij zonder toestemming en op kosten van de IND intensief en langdurig naar 0900-nummers heeft gebeld gedurende de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 juli 2008.

1.6. De minister heeft de besluiten van 30 december 2008 en 10 juli 2009 na bezwaar bij besluit van 4 maart 2010 (bestreden besluit) gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op het disciplinair ontslag en overweegt daarover het volgende.

3.1. Anders dan appellant heeft betoogd, kan het onderzoek dat aan de besluitvorming door de minister is voorafgegaan niet als onzorgvuldig worden bestempeld. Daartoe is niet toereikend de stelling dat naast de leidinggevende van appellant en een medewerker van de afdeling van Financiën niet ook zijn twee collega’s van de postkamer zijn gehoord. Dat BV&I het onderzoek na de ontzegging van de toegang tot de gebouwen van de IND op 29 december 2009 niet heeft voortgezet, is evenmin onzorgvuldig, omdat de overzichten van het telefoonverkeer met het toestel van appellant tijdens zijn ziekte- en vakantieperiode al inzicht boden in het telefoonverkeer tijdens diens afwezigheid.

3.2. Uit de overzichten van de inkomende en uitgaande telefoongesprekken met telefoontoestel 9572 over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 juli 2008 (onderzoeksperiode) blijkt dat in die periode ruim 900 keer een 0900-nummer is gebeld (09001527), waarmee naar een aantal landen in Afrika, waaronder Nigeria, kan worden getelefoneerd. Er is geen grond voor twijfel aan de juistheid van deze overzichten.

3.3. Op grond van deze overzichten en de overige onderzoeksgegevens heeft ook de Raad de overtuiging verkregen dat appellant de onder 3.2 genoemde gesprekken met zijn telefoon zelf heeft gevoerd en aldus de hem verweten gedragingen heeft begaan. Van belang zijn hierbij de frequentie en de duur van de gesprekken (variërend van 1 tot meer dan 30 per werkdag en van 0 tot meer dan 50 minuten) en het feit dat appellant op de dagen en tijdstippen waarop die gesprekken plaatsvonden zonder uitzondering op het werk aanwezig was. Dat appellant de telefoontjes zelf heeft gepleegd, vindt bevestiging in het gegeven dat tijdens de ziekte van appellant van 11 februari tot 31 maart 2008 en zijn vakantie van 26 mei tot en met 27 juni 2008 met zijn telefoon in het geheel niet naar 09001527 is gebeld. Appellant heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven. Bij het licht hiervan zijn de ontkenning van appellant dat hij heeft gebeld met nummer 09001527 en zijn stelling dat anderen deze telefoontjes hebben gepleegd niet geloofwaardig. Appellant heeft er wel op gewezen dat anderen vrije toegang tot de postkamer hadden, dat hij het te druk had om de telefoontjes te plegen en dat niet daadwerkelijk is geconstateerd dat hij naar een land in Afrika belde, maar geen van deze omstandigheden sluit uit dat appellant zelf heeft gebeld.

3.4. Het telefoonverkeer van appellant met het nummer 09001527 is zowel in frequentie als in duur als buitensporig aan te merken. Het moet appellant duidelijk zijn geweest dat het hem niet was toegestaan om met zijn diensttelefoon op kosten van de IND zo intensief en langdurig voor privédoeleinden te telefoneren. Daarom is het aan appellant verweten gedrag terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Dat dit hem niet kan worden toegerekend is niet gebleken. De minister was daarom bevoegd om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

3.5. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Appellant heeft met een beroep op de uitspraak van de Raad van 21 maart 2013, LJN BZ5132, waarin het eveneens ging om telefoneren met een diensttelefoon voor privédoeleinden, betoogd dat een voorwaardelijk strafontslag meer op zijn plaats was. Dit betoog kan niet worden gevolgd, reeds omdat die uitspraak gaat over de

tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag en geen oordeel behelst over de (on)evenredigheid van het eerder opgelegde voorwaardelijk strafontslag.

3.6. Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen

(getekend) B. Rikhof

HD