Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
11-7575 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Korpsbeheerder heeft betrokkene voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag verleend bij wijze van laatste waarschuwing om zijn functioneren te verbeteren. In die zin dient ook dat deel van het besluit van 9 maart 2009 te worden opgevat. Anders dan de Korpsbeheerder heeft gesteld, biedt het gesloten ontslagsysteem van het Barp echter niet de mogelijkheid om daartoe een voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag te verlenen. Een voorwaardelijke mogelijkheid tot ontslag kent het Barp slechts in het geval van een strafontslag. Daar heeft de Korpsbeheerder in het geval van betrokkene nu juist bewust van afgezien. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre dan ook terecht vernietigd en het primaire ontslag herroepen. Het hoger beroep van de Korpsbeheerder op dit punt kan niet slagen. Het hoger beroep van de Korpsbeheerder tegen het oordeel van de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen en het primaire besluit te herroepen óók wat betreft het deel dat ziet op de vaststelling plichtsverzuim slaagt wel. Naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit, waarin de Korpsbeheerder nog eens uiteen heeft gezet waarom betrokkene plichtsverzuim wordt verweten, had de rechtbank een oordeel dienen te geven over de vraag of daarvan inderdaad sprake was. Dat heeft de rechtbank ten onrechte niet gedaan. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Raad: De Korpsbeheerder heeft de handelwijze van betrokkene terecht als plichtsverzuim aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7575 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 december 2011, 11/833 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, thans de Korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 30 mei 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Achttienribbe een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2013. Betrokkene is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. W. Dieks, advocaat. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuyt.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

1.1. Betrokkene is al vele jaren werkzaam als [naam functie] bij (voorheen) de politieregio Amsterdam-Amstelland. Betrokkene had mede als gevolg van een aantal ernstige dienstongevallen een hoog ziekteverzuim. Vanaf mei 2001 is betrokkene verschillende keren aangesproken op zijn functioneren en over de wijze waarop hij met de verzuimregels omgaat. Naar aanleiding van een beoordelingsgesprek op 12 februari 2008, waarin is vastgesteld dat het functioneren van betrokkene over het geheel genomen onvoldoende is, is hij tijdelijk voor de duur van 1 jaar in een ander wijkteam geplaatst. In die tijd diende betrokkene aan te tonen dat hij in staat en bereid was op voldoende niveau te functioneren. Indien dit niet het geval zou zijn, bestond de mogelijkheid dat betrokkene zou worden voorgedragen voor ontslag.

1.2. Op 16 januari 2009 heeft een gesprek plaatsgehad over het functioneren van betrokkene over de periode 13 augustus 2008 tot 16 januari 2009. Daarin is vastgesteld dat de feitelijke aanwezigheid van betrokkene te gering was om het functioneren te beoordelen nu hij vanaf oktober 2008 wegens operaties niet meer heeft gewerkt. Ook is besproken dat betrokkene op 22 december 2008 volgens de bedrijfsarts voor 50% het werk kon hervatten. De leidinggevende van betrokkene heeft uitgesproken dat zij verwachtte dat betrokkene in zo’n geval uit eigen beweging aan het werk zou gaan. Hij heeft het werk echter pas hervat nadat de leidinggevende contact met hem heeft opgenomen.

1.3. Bij besluit van 9 maart 2009 is aan betrokkene te kennen gegeven dat zijn functioneren nog steeds van onvoldoende niveau is. Daarnaast is betrokkene nodeloos lang thuis gebleven na ziekte en heeft pas na aandringen van de wijkteamchef contact opgenomen met de bedrijfsarts. Hij is het verzuimreglement niet nagekomen, wat zeer ernstig plichtsverzuim oplevert en een voorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt. Bij een volgende overtreding zal betrokkene strafontslag worden verleend. Om hem het stigma van een dergelijk ontslag te besparen is nu volstaan met een voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag. Dit zal niet worden geëffectueerd indien betrokkene de komende twee jaar op een voldoende niveau zal functioneren.

1.4. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft appellant het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het besluit van 9 maart 2009 als een waarschuwing moet worden aangemerkt die de ambtenaar niet in enig rechtspositioneel belang treft en om die reden niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 november 2010 het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van 12 oktober 2009 vernietigd. Daartoe is overwogen dat bij de vaststelling dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim het rechtspositionele belang van de ambtenaar rechtstreeks betrokken is. Dat geen straf is opgelegd, maakt dat niet anders. Nu dit verder gaat dan het hanteren van een sturingsmiddel is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft appellant bij besluit van 4 januari 2011 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 9 maart 2009 gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) een gesloten ontslagsysteem kent waarin de gekozen mogelijkheid van voorwaardelijke ongeschiktheidsontslag niet voorkomt. Het Barp kent slechts een voorwaardelijke vorm in het geval van een strafontslag. Het besluit kan daarom geen stand houden. De rechtbank heeft aanleiding gezien het geschil finaal te beslechten door zelf in de zaak te voorzien. Het niet tijdig beter melden wijst volgens de rechtbank eerder op ongeschiktheid dan op iets anders. Omdat de periode van twee jaar was verstreken en betrokkene sinds het besluit van 9 maart 2009 goed functioneert en niet meer heeft gehandeld in strijd met het verzuimreglement, is er volgens de rechtbank geen aanleiding meer voor corrigerend optreden in rechtspositionele zin.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het Barp wel ruimte biedt voor een voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag en dat dit ook kan worden opgelegd. Naar de mening van appellant is het mogelijk dat een ontslag wegens ongeschiktheid volgt als het functioneren van de ambtenaar niet verbetert. Aan betrokkene is een allerlaatste kans gegeven. Dat vanwege het niet nakomen van het verzuimreglement ook strafontslag had kunnen worden gegeven, doet daaraan niet af. Die keuze raakt te zeer aan de bestuurlijke besluitvorming, de beleids- en beoordelingsvrijheid. Voorts is het primaire besluit ten onrechte herroepen in die zin dat er geen aanleiding meer is voor corrigerend optreden in rechtspositionele zin. Het enkele feit dat het gedrag van betrokkene is verbeterd, wil niet zeggen dat het zich nooit heeft voorgedaan. De eerdere aantekeningen over plichtsverzuim zijn nog steeds van belang en dienen opgeslagen te worden in het personeelsdossier. Indien dat niet meer mogelijk is, wordt het voor appellant onmogelijk om te sturen op het gedrag van politieambtenaren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de stukken blijkt dat appellant betrokkene voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag heeft verleend bij wijze van laatste waarschuwing om zijn functioneren te verbeteren. In die zin dient ook dat deel van het besluit van 9 maart 2009 te worden opgevat. Anders dan appellant heeft gesteld, biedt het gesloten ontslagsysteem van het Barp echter niet de mogelijkheid om daartoe een voorwaardelijk ongeschiktheidsontslag te verlenen. Een voorwaardelijke mogelijkheid tot ontslag kent het Barp slechts in het geval van een strafontslag. Daar heeft appellant in het geval van betrokkene nu juist bewust van afgezien. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre dan ook terecht vernietigd en het primaire ontslag herroepen. Het hoger beroep van appellant op dit punt kan niet slagen.

4.2. Het hoger beroep van appellant tegen het oordeel van de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen en het primaire besluit te herroepen óók wat betreft het deel dat ziet op de vaststelling plichtsverzuim slaagt wel. Naar aanleiding van het beroep tegen het bestreden besluit, waarin appellant nog eens uiteen heeft gezet waarom betrokkene plichtsverzuim wordt verweten, had de rechtbank een oordeel dienen te geven over de vraag of daarvan inderdaad sprake was. Dat heeft de rechtbank ten onrechte niet gedaan. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog inhoudelijk beoordelen of het gedrag van betrokkene door appellant terecht als plichtsverzuim is aangemerkt.

5.1. In artikel 11, eerste lid, van het Verzuimreglement van het politiekorps Amsterdam-Amstelland, zoals dat luidde ten tijde in geding, is bepaald dat het korpslid zodra hij weer in staat is aan het werk te gaan, niet een speciale opdracht daartoe van de bedrijfsarts, verzuimadviseur of zijn chef hoeft af te wachten. Hij dient de datum van hervatting van zijn werkzaamheden mee te delen aan zijn chef en aan de personeelsconsulent. Ook wanneer het korpslid hersteld is en aansluitend verlof geniet, dient hij zich meteen hersteld te melden.

5.2. Uit de stukken blijkt dat betrokkene op (maandag) 22 december 2008 bij de bedrijfsarts is geweest. De bedrijfsarts heeft betrokkene meegedeeld dat hij gedeeltelijk zijn werkzaamheden kon hervatten. Anders dan in voornoemd artikel van het Verzuimreglement is voorgeschreven heeft betrokkene zich daarna echter niet gemeld bij zijn leidinggevende, maar afgewacht totdat zijn leidinggevende na de kerstdagen contact met hem opnam. Niet gebleken is van redenen waarom betrokkene niet direct na het bezoek bij de bedrijfsarts contact had kunnen opnemen met zijn leidinggevende om afspraken te maken om het werk te hervatten. Daarmee heeft betrokkene gehandeld in strijd met het Verzuimreglement. Appellant heeft deze handelwijze van betrokkene terecht als plichtsverzuim aangemerkt.

5.3. Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het bestreden besluit in stand kan blijven, voor zover daarbij de vaststelling van plichtsverzuim is gehandhaafd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de vernietiging van het besluit van 4 januari 2011 en de herroeping van het besluit van 9 maart 2009 betrekking heeft op de vaststelling dat sprake is van plichtsverzuim;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2013.

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen

(getekend) B. Rikhof

HD