Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
13-521 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/521 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2012, 12/526 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 31 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Schoneveld, kantoorgenoot van mr. Van Berkel. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft, voor zover hier van belang, in 2009 studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in de vorm van een zogeheten nullening. Vanaf 9 februari 2009 was hij tevens in het bezit van een OV-studentenkaart. Naast deze studiefinanciering heeft hij in 2009 inkomsten uit arbeid genoten.

1.2. Bij besluit van 21 januari 2012 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat het door hem over het jaar 2009 genoten inkomen boven de bijverdiengrens is uitgekomen en dat om die reden een vordering wegens meerinkomen is vastgesteld. Van appellant is in verband hiermee een bedrag van € 882,77 gevorderd wegens bezit van de OV-studentenkaart in de maanden februari tot en met december 2009.

1.3. De Minister heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 29 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het inkomen dat appellant heeft verdiend over de maand januari 2009 is bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing gelaten.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Overwogen is, onder verwijzing naar artikel 3.1 van de Wsf 2000, dat de aan appellant verstrekte nullening ook moet worden beschouwd als studiefinanciering. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 juni 2003, LJN AI5664, heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat, anders dan appellant meent, de vordering door de Minister niet te laat is vastgesteld. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 januari 2008, LJN BC2212, heeft de rechtbank tot slot geoordeeld dat er geen aanleiding is de vordering te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In de kern komt zijn betoog erop neer dat - ook - het inkomen dat hij heeft verdiend over de periode 1 tot en met 8 februari 2009 bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing moet blijven omdat hij pas vanaf 9 februari 2009 een OV-studentenkaart in zijn bezit heeft gehad.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. Artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 luidt als volgt:

“Bij de berekening van het meerinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen:

a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of

b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar.”

4.1.2. In artikel 8.1, derde lid, laatste volzin, van de Wsf 2000 is bepaald dat een studerende, indien hem een nullening wordt toegekend, over de periode waarop de toekenning betrekking heeft, heeft te gelden als studiefinancieringsgenietende.

4.1.3. Uit het samenstel van deze bepalingen dient te worden afgeleid dat slechts sprake kan zijn van het afzien van een aanspraak, als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000, indien feitelijk geen studiefinanciering wordt genoten en evenmin sprake is van de situatie, bedoeld in de laatste volzin van het derde lid van artikel 8.1 van de Wsf 2000. Dat laatste betekent dat de studerende aan wie een nullening is toegekend, ook zonder dat daarbij een OV-studentenkaart is afgehaald, moet worden geacht niet te hebben afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013, LJN BZ4075.

4.2.1. Toepassing van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 in situaties als die van appellant betekent dat het inkomen dat een studerende heeft genoten ten volle zou moeten meetellen, hoewel hem feitelijk geen studiefinanciering is uitbetaald en de studerende evenmin een OV-studentenkaart in zijn bezit heeft gehad. De Minister voert het beleid dat in deze situaties het (tijdig) inleveren van de OV-studentenkaart of het niet afhalen daarvan wordt beschouwd als het afzien van de aanspraak op studiefinanciering, als gevolg waarvan bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing blijft het inkomen dat is verworven over de maand(en) waarin geen OV-studentenkaart is afgehaald en/of waarin deze (tijdig) is ingeleverd. Dit beleid, dat - anders dan in de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013 werd aangenomen - dient te worden getypeerd als hardheidsclausulebeleid, is, mede gelet op de systematiek van de Wsf 2000, niet kennelijk onredelijk.

4.2.2. Het in 4.2.1 weergegeven beleid heeft er in de situatie van appellant toe geleid dat de Minister het inkomen dat is verworven over de maand januari 2009 buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van het toetsingsinkomen van appellant. In hetgeen door appellant is aangevoerd heeft de Minister geen aanleiding hoeven zien om in afwijking van de wettelijke regeling - ook - het inkomen dat is verworven over de periode 1 tot en met 8 februari 2009 bij de berekening van het toetsingsinkomen buiten beschouwing te laten.

4.3. Hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.2.2 leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) J.R. Baas

HD