Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
11-577 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemen van urenbeperking. Anders dan appellante meent kan de beslissing van het Uwv om geen urenbeperking aan te nemen worden gedragen door de motivering die de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 31 oktober 2012 en zijn nadere reactie van 4 februari 2013 daaraan heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/577 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 december 2010, 09/1707 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 mei 2013

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 31 augustus 2012 (LJN BX6975) een tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak nadere stukken ingediend.

Mr. Kleyn van Willigen heeft de zienswijze van appellante naar voren gebracht. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat de beslissing van het Uwv om geen urenbeperking aan te nemen niet is gemotiveerd en is het Uwv opgedragen dit gebrek te herstellen.

1.2. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings in een rapportage van 31 oktober 2012 evenals zijn collega Van Leeuwen het standpunt ingenomen dat appellante niet voldoet aan de Standaard verminderde arbeidsduur. Ter motivering van dat standpunt heeft hij opgemerkt dat de behandelend psycholoog van appellante en de bedrijfsarts wel stellen dat appellante maximaal voor 50% belastbaar is, maar dat zij dat relateren aan het feit dat appellante in haar eigen werk tot niet meer dan 20 uur werken per week in staat zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts acht dat een onvoldoende onderbouwing van de claim. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat voor appellante in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) diverse beperkingen zijn opgenomen, zowel ten aanzien van psychische als fysieke belastbaarheid, die maken dat de belasting in de geselecteerde functies minder is dan de belasting in het eigen werk van appellante. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts aandacht besteed aan het actieve dagverhaal van appellante. In zijn reactie van 4 februari 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts naar voren gebracht dat op fysiek gebied geen afwijkingen zijn gevonden die een onderbouwing kunnen vormen voor de geclaimde urenbeperking en dat aan de opvatting van de behandelend psycholoog en de bedrijfsarts dat appellante vanwege problemen op psychisch gebied maar voor 50% zou kunnen werken geen duidelijke diagnose ten grondslag ligt.

2. Appellante is van mening dat de bezwaarverzekeringsarts niet heeft voldaan aan het bepaalde in de tussenuitspraak en vindt dat het standpunt van het Uwv om geen urenbeperking aan te nemen nog steeds niet deugdelijk is gemotiveerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Anders dan appellante meent kan de beslissing van het Uwv om geen urenbeperking aan te nemen worden gedragen door de motivering die de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 31 oktober 2012 en zijn nadere reactie van 4 februari 2013 daaraan heeft gegeven. Hij heeft alle van belang zijnde gegevens gewogen en uitvoerig en op consistente wijze gemotiveerd waarom die gegevens geen aanleiding geven voor het aannemen van een urenbeperking.

3.2. Uit 3.1 volgt dat het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

3.3. Nu de beslissing om geen urenbeperking aan te nemen, en daarmee het bestreden besluit, eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, vernietigen. Tevens zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand worden gelaten.

4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 2.124,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 juni 2009;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.124,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en T. Hoogenboom en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

HD