Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
13/293 AOW + 13/294 AOW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Executoriaal beslag. Vaststelling beslagvrije voet € 0,00. Inhouding door SvB van € 918,66 per maand op ouderdomspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/293 AOW, 13/294 AOW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 31 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft R.H. [B.] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 11 december 2012, 12/5615 + 12/5752 (aangevallen uitspraak) en heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Verzoeker is zonder bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad (voorzieningenrechter) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Bw kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Verzoeker en de Svb zijn in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.1. Uitgegaan wordt van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. De Svb heeft aan verzoeker een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op 19 september 2012 heeft Van den Berg, de Rie & Uyterlinde incasso-gerechtsdeurwaarders aan de Svb een beslagexploit betekend waarin is aangegeven dat executoriaal beslag wordt gelegd uit kracht van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2012 ten laste van verzoeker. Daarbij is te kennen gegeven dat de beslagvrije voet € 0,00 bedraagt.

2.3. Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft de Svb aan verzoeker meegedeeld dat, gelet op het beslag door Van den Berg, de Rie & Uyterlinde incasso-gerechtsdeurwaarders, er een bedrag van € 918,66 per maand wordt ingehouden op zijn ouderdomspensioen.

2.4. Bij besluit van 10 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het door verzoeker tegen het besluit van 2 oktober 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2012 ongegrond verklaard, bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 oktober 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien en heeft daarbij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de Svb een beslag op het ouderdomspensioen van verzoeker dient uit te voeren volgens de daarvoor geldende regels en dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. De gronden die zich richten tegen de beslaglegging zelf of tegen het bedrag waarvoor beslag is gelegd kunnen volgens de rechtbank om deze reden niet slagen. Tot slot is verzoeker meegegeven dat met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet contact dient te worden opgenomen met de deurwaarder of een procedure dient te worden opgestart bij de civiele rechter.

4. In hoger beroep heeft verzoeker aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2012 ongegrond te verklaren.

5.1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.2. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt hieraan niet toe. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet ingevolge vaste rechtspraak het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit is hier het geval. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat verzoeker met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet zich met de deurwaarder zal kunnen verstaan of zich tot de civiele rechter kunnen wenden.

5.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2012 terecht ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van verzoeker niet slaagt. Verder betekent dit dat er geen grond aanwezig is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen. In dit kader wordt nog opgemerkt dat de vertegenwoordiger van de Svb ter zitting heeft meegedeeld dat met ingang van februari 2013 de beslagvrije voet door de deurwaarder is vastgesteld op € 913,-. In verband hiermee zijn de ten onrechte ingehouden bedragen op het ouderdomspensioen over de maanden maart en april 2013 door middel van een spoedbetaling op 16 mei 2013 teruggestort op de rekening van verzoeker. Over de maand mei 2013 wordt (nagenoeg) het volledige ouderdomspensioen van verzoeker uitbetaald. Ook om deze reden bestaat er geen grond tot het treffen van een voorlopige voorziening.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) K.E. Haan

NW