Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
12-1335 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met honderd procent. Appellante is haar verplichting om gebruik te maken van de aangeboden voorziening onvoldoende nagekomen. Voortijdige beëindiging traject omdat appellante niet gemotiveerd was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1335 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 februari 2012, 11/1069 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak 28 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 2 april 2013 aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar partner ontvingen met onderbrekingen vanaf 1997 bijstand. In opdracht van het college heeft Aob Compaz onderzoek gedaan naar het arbeidsvermogen van appellante. In het rapport van 30 juni 2010, naar aanleiding van dit onderzoek, komt Aob Compaz tot de conclusie dat appellante structurele functionele beperkingen heeft. Zij is wel in staat deel te nemen aan een traject. Aob Compaz adviseert appellante aan te melden voor sociale activering/vrijwilligerswerk, voor begeleiding om beter te leren omgaan met de hoge pijnfocus en oefentherapie en voor loopbaanoriëntatie om haar een beter zicht te geven op haar beroepsmogelijkheden, rekening houdend met de structurele beperkingen. Het college heeft appellante vervolgens aangemeld voor een traject bij Top-Care, gericht op verbetering van de fysieke en mentale weerbaarheid.

1.2. Op 18 januari 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en een medewerker van het college over het traject. Hierbij heeft appellante blijkens de rapportage trajectaanbod gezegd dat zij de meerwaarde er niet van inzag om naar Top-Care te gaan. Volgens de rapporteur had zij hier duidelijk geen zin in. Zij was van mening dat niemand haar kon veranderen.

1.3. Top-Care heeft het college bericht dat de behandeling van appellante per 21 februari 2011 vroegtijdig is afgesloten, met als reden dat appellante na enkele trainingen had aangegeven absoluut geen commitment te geven aan het traject.

1.4. Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college de bijstand van appellante verlaagd met honderd procent over de periode 1 mei 2011 tot en met 31 mei 2011. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat Top-Care na een aantal sessies heeft besloten het traject te beëindigen omdat appellante niet gemotiveerd was.

1.5. Na beëindiging van het traject bij Top-Care is appellante gestart met een activeringstraject bij de WAAgroep N.V. (WAA).

1.6. Bij besluit van 10 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2011 ongegrond verklaard. In het besluit heeft het college opgemerkt dat er nog uitgebreid overleg is geweest met Top-Care omtrent de beëindiging, waarbij vermeld werd dat herhaaldelijk met appellante is gesproken en dat zij niet gemotiveerd te krijgen was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij niet meer mee wilde werken. Zij heeft aangevoerd dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat het traject om deze reden is beëindigd. Een eindrapportage of verslag waaruit dit blijkt, ontbreekt. Appellante heeft steeds aangegeven mee te zullen blijven werken, ook al zag zij de meerwaarde van het traject niet. Het traject is niet specifiek voor haar opgesteld, zij was meer gebaat bij begeleiding naar werk. Gezien het feit dat appellante al enige tijd werkzaam is via WAA is er geen sprake van een geringe motivatie en inzet. Zij voldoet aan haar re-integratieverplichting. Ten slotte heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de maatregel disproportioneel is. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden.

3.2. Bij het verweerschrift heeft het college een e-mail overgelegd van Top-Care van 14 juni 2011, waarin wordt meegedeeld dat door meerdere collega’s gedurende de training is aangegeven dat motivatie een belangrijk uitgangspunt is om het traject te laten slagen. Appellante was echter niet gemotiveerd en niet gemotiveerd te krijgen. Aan appellante is verteld dat dit financiële consequenties zou kunnen hebben. Dat had geen effect, aldus Top-Care. Top-Care heeft vermeld dat appellante niet is verschenen op het zogenoemde stopgesprek, waarvoor zij was uitgenodigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2. Ingevolge de artikelen 2, eerste lid, 9, derde lid, onder c, en 10, derde lid, van de Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo (Afstemmingsverordening), voor zover hier van belang, wordt de bijstand verlaagd met honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject.

4.3. De beroepsgrond dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom het traject is beëindigd, treft geen doel. Top-Care heeft in de onder 1.3 genoemde brief het ontbreken van commitment als reden voor beëindiging genoemd. In het bestreden besluit heeft het college hieraan toegevoegd dat er uitgebreid overleg is geweest met Top-Care. Het gebrek aan motivatie bij appellante is bevestigd in de e-mail van Top-Care van 14 juni 2011. Er is geen aanleiding voor twijfel aan deze verklaringen van Top-Care, aangezien deze overeenstemmen met de bevindingen neergelegd in het rapport trajectaanbod, waaruit ook blijkt van een negatieve opstelling van appellante ten aanzien van het aangeboden traject. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar verplichting om gebruik te maken van de aangeboden voorziening onvoldoende is nagekomen, hetgeen heeft geleid tot een voortijdige beëindiging van het traject.

4.4. Het traject bij Top-Care is ingezet naar aanleiding van het onderzoek van Aob Compaz naar de mogelijkheden van appellante. Het college heeft daarmee maatwerk geleverd. Niet gezegd kan worden dat bij appellante alle vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De omstandigheid dat appellante later is gaan deelnemen aan een traject bij WAA doet niet af aan de verwijtbaarheid van haar eerdere gedrag. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 14 maart 2011, LJN BP6843) is een maatregel als hier aan de orde in beginsel bedoeld als middel tot gedragsbeïnvloeding en dus als prikkel voor de betrokkene om zijn gedrag bij te stellen in de door het bijstandverlenend orgaan gewenste richting. Indien de maatregel het gewenste gevolg heeft gehad, betekent dit niet dat het college alsnog van het opleggen daarvan moet afzien.

4.5. Appellante heeft haar stelling dat aanleiding bestond voor een matiging van de vastgestelde verlaging niet onderbouwd. In hetgeen appellante heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellante, de mate waarin appellante die gedraging verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin appellante verkeert aanleiding geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met de artikelen 2, 9 en 10 van de Afstemmingsverordening de verlaging van de bijstand vast te stellen op minder dan honderd procent van de bijstandsnorm of gedurende een kortere periode dan één maand.

5. Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD