Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
11-5986 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Juiste FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5986 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

24 augustus 2011, 10/6989 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 24 mei 2013.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Misker, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2013. Namens appellant is mr. W.P.J.M. van Gestel, kantoorgenoot van mr. Misker, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, toentertijd werkzaam als verzekeringsadviseur, is op 7 april 2008 uitgevallen in verband met gewrichts- en vermoeidheidsklachten. Later zijn daar hartklachten bijgekomen. Op 10 december 2009 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 maart 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 5 april 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is vastgesteld dat appellant 65% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 3 september 2010 (bestreden besluit) is, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 3 maart 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de verdiencapaciteit, is deze lager gesteld op € 873,61 bruto per maand en is het bezwaar ongegrond verklaard voor het overige, met dien verstande dat de motivering is aangepast omdat een functie is komen te vervallen.

2. In de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig of onjuist te achten. De verzekeringsarts heeft appellant op 17 februari 2010 lichamelijk onderzocht en heeft dossierstudie verricht. Daarbij heeft de verzekeringsarts ook de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector bezien. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant gezien en heeft informatie bij de cardioloog van appellant opgevraagd en meegewogen in zijn beoordeling. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant in beroep overgelegde brief van de cardioloog van 3 januari 2011, waarin staat dat er bij appellant drie stents in plaats van een zijn geplaatst, in voldoende mate door de bezwaarverzekeringsarts is beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts kwam tot de conclusie dat deze ingreep bij appellant geen gevolgen heeft voor de prognose en dus voor de beperkingen en belastbaarheid van appellant. Nu in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) diverse beperkingen ten aanzien van het functioneren van appellant zijn opgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank afdoende rekening gehouden met appellants lichamelijke beperkingen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat afdoende is gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Omdat dat voor de functie van postbesteller niet eerder dan ter zitting in beroep is gebeurd, heeft de rechtbank daarin aanleiding gevonden het beroep van appellant gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant alleen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit bestreden. Hij heeft aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv eraan is voorbij gegaan dat de hartklachten van appellant zodanig zijn dat hij ernstige vermoeidheidsklachten heeft. Appellant acht zich niet in staat om werkzaamheden te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat namens appellant ter zitting desgevraagd is verklaard dat het hoger beroep zich enkel richt op de aspecten aangaande de medische beoordeling, zodat alleen de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen in hoger beroep nog aan de orde is.

4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad in hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht geen toereikende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank daarover voor onjuist te houden en hij onderschrijft de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.

4.3. Met betrekking tot de hartklachten en de daaruit voortkomende vermoeidheidsklachten van appellant voegt de Raad hier nog aan toe dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze klachten hem op de datum hier in geding dermate belemmerden dat hij om deze reden op die datum meer, dan wel verdergaand, beperkt moest worden geacht en dat de belastbaarheid in verband met die beide klachten onjuist is vastgesteld. Ook het door appellant bij wijze van second opinion overgelegde rapport van 14 september 2012 van cardioloog dr. W. Jaarsma levert geen nieuwe gezichtspunten op ten opzichte van de over appellant reeds bekende medische gegevens. De Raad kan zich verenigen met het commentaar van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 8 april 2013 op het rapport van Jaarsma.

4.4. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K.E. Haan

QH