Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:CA1518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
11-4742 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4742 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juli 2011, 09/1315 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te H.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 28 mei 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.M.J. Graus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 11/3218 WWB plaatsgevonden op 16 april 2013. Voor appellant is verschenen mr. Graus. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Quaedvlieg. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving met ingang van 14 december 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 17 november 2008 heeft het college de bijstand van appellant van 1 oktober 2008 tot (lees: tot en met) 30 november 2008 verlaagd met 5%. Bij besluit van 17 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 17 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Nadat uit onderzoek was gebleken dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant bij besluit van 11 november 2008 (alsnog) met ingang van 2 oktober 2007 (tot uiterlijk 28 april 2010) in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), heeft het college bij besluit van 8 juli 2009 de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2009 beƫindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft het college de over de periode van 14 december 2007 tot en met 31 mei 2009 gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat wel procesbelang bestaat onder meer omdat de bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging nog een rol kan spelen bij het opleggen van een nieuwe verlaging. Hij wijst in dat verband op de recidivebepaling in de Verordening Wet Werk en Bijstand van de gemeente Heerlen (Verordening).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 augustus 2006, LJN YA6077, en van 13 december 2011, LJN BU8633, dat sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, door de toekenning aan hem van een WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 2 oktober 2007 en tot een bedrag dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm, geen recht op bijstand had vanaf 14 december 2007, de datum met ingang waarvan hem bijstand is toegekend. De WW-uitkering is ook uitbetaald aan appellant.

4.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 19 juni 2007, LJN BA8305) verzet de systematiek van de WWB zich ertegen dat, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, een verlaging van de bijstand wordt toegepast over een periode dat geen recht op bijstand (meer) bestaat. Dit betekent dat over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 november 2008 geen maatregel tot verlaging van de bijstand kon worden opgelegd. Gelet hierop is achteraf het effect aan de verlaging komen te ontvallen, zodat het aanvechten van de verlaging voor appellant geen betekenis (meer) heeft.

4.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ter zake van de recidivebepaling in de Verordening is geen procesbelang gelegen, omdat de bij het bestreden besluit gehandhaafde verlaging wegens het ontbreken van een grondslag niet van belang kan zijn voor een eventuele nieuwe verlaging. Dit brengt tevens met zich dat de recidivebepaling van de Verordening in dit geval niet meer aan de orde kan zijn.

4.5. Aan het betoog van appellant dat het hem te doen is om een principiƫle uitspraak over de vraag of hij de gevraagde gegevens tijdig heeft overgelegd en of het college de maatregel terecht heeft opgelegd kan, gelet op 4.1, evenmin een procesbelang worden ontleend.

4.6. Gelet op 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013.

(getekend) C. van Viegen.

(getekend) M. Sahin.